IV.
Waar in ontzagbre rust dat woud te grijzen staat,
En een gewelf van loof op forsche zuilen laadt,
En, waar 't zijne armen breidt en naar den hemel slaat,
De lucht verdonkert;
Waar bruine schemering den vollen dag verkondt,
Waar soms het licht der zon, geworsteld tot den grond,
Verlichte plekken zaait, als starren in het rond,
Waar goud in flonkert;
Een trotsch gebouw gelijk, van middeleeuwsch gewrocht,
Waar 't flikkrend avondrood een wanklen doorgang zocht;
Om welks bemoste kruin, waar lang de storm mee vocht,
Zich 't klimop strengelt;
't Is dáár of 't kerkgezang langs tempelwanden ruischt,
Als met zijn vol geluid het statig orgel bruist,
Waarin een tusschentoon, die langs 't verwulfsel suist,
Zich murmlend mengelt.