De zonsverduistering.
Bl. 235.
't Is, of geheel natuur vol aandacht staart en luistert,
En met een zachter stemme fluistert,
Bij 't opzien naar 't gewelf in 's Heeren Heiligdom.
In eene vorige uitgave mijner gedichten las men hierna de volgende regels:
Alsof de lampenkroon, hel schitt'rend met haar stralen,
Omhoog rijst in de schouwburgzalen
En scheemring in het rond doet dalen -
Zwijgt alles van verwachting stom.
Ik heb ze hier laten wegvallen, de juistheid der aanmerking van één mijner geachte beoordeelaars ten volle erkennende, dat dit beeld voor het hier behandelde onderwerp, vooral in verband beschouwd met de straks volgende vergelijking, als niet edel en waardig genoeg zou kunnen beschouwd worden.