Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

Der gerettete jüngling.

Eine schöne Menschenseele finden, Ist Gewinn; ein schönerer Gewinn ist, Sie erhalten, und der schönst' und schwerste, Sie, die schon verloren war, zu retten. -

Sankt-Johannes, aus dem öden Pathmos Wiederkehrend, war, was er gewesen, Seiner Heerden Hirt. Er ordnet' ihnen Wachter, auf ihr Innerstes aufmerksam.

In der Menge sah er einen schönen Jüngling; fröhliche Gesundheit glänzte Vom Gesicht ihm, und aus seinen Augen Sprach die liebevollste Feuerseele.

‘Diesen Jüngling,’ sprach er zu dem Bischof, ‘Nimm in deine Hut. Mit deiner Treue

Stehst du mir für ihn! - Hierüber zeuge Mir und dir vor Christo die Gemeine!’

Und der Bischof nahm den Jüngling zu sich Unterwies ihn, sah die schönsten Früchte In ihm blühn, und weil er ihm vertraute, Liess er nach von seiner strengen Aufsicht.

Und die Freiheit war ein Netz des Jünglings: Angelockt von süssen Schmelcheleien, Ward er müssig, kostete die Wollust, Dann den Reiz des fröhlichen Betruges, Dann der Herrschaft Reiz; er sammelt' um sich Seine Spielgesellen, und mit ihnen Zog er in den Wald, ein Haupt der Räuber.

Als Johannes in die Gegend wieder Kam; die erste Frag' an ihren Bischof War: ‘Wo ist mein Sohn?’ - ‘Er ist gestorben,’ Sprach der Greis und schlug die Augen nieder. ‘Wann und wie?’ - ‘Er ist Gott abgestorben: Ist (mit Thränen sag' ich es) ein Räuber!’ ‘Dieses Jünglings Seele,’ sprach Jobannes, ‘Fordr' ich einst von dir. Jedoch wo ist er?’ - ‘Auf dem Berge dort!’ - ‘Ich muss ihn sehen!’ Und Johannes, kaum dem Walde nahend, Ward ergriffen (eben dieses wollt' er). ‘Führet,’ sprach er, ‘mich zu eurem Führer.’

Vor ihn trat er! Und der schöne Jüngling Wandte sich: er konnte diesen Anblick Nicht ertragen. ‘Fliehe nicht, o Jüngling, Nicht, o Sohn, den waffenlosen Vater, Einen Greis. Ich habe dich gelobet Meinen Herrn und muss für dich antworten. Gerne geb' ich, willst du es, mein Lehen Für dich hin, nur dich fortan verlassen Kann ich nicht! Ich habe dir vertrauet, Dich mit meiner Seele Gott verpfändet.’

Weinend schlug der Jüngling seine Arme Um den Greis, bedeckete sein Antlitz, Stumm und starr; dann stürzte statt der Antwort Aus den Augen ihm ein Strom von Thränen.

Auf die Kniee sank Johannes nieder, Küsste seine Hand und seine Wange, Nahm ihn neugeschenket vom Gebirge, Läuterte sein Herz mit süsser Flamme. Jahre lebten sie jetzt unzertrennet

Mit einander; in den schönen Jüngling Goss sich ganz Johannes schöne Seele.

Sagt, was war es, was das Herz des Jünglings Also tief erkannt' und innig festhielt? Und es wiederfand, und unbezwingbar Rettete? Ein Sankt-Johannes Glaube, Zutrau'n, Festigkeit und Lieb' und Wahrheit.

In Duitschland heeft men in de laatste jaren de aandacht meer op de dichterzijde der Kerkgeschiedenis gevestigd. Twee dichters, die beiden daaraan grootendeels de stof hunner gedichten hebben gewijd (F.A. Cunz: Christliche Legende und Geschichten, Eisleben 1840, en Moritz Alex. Zille: Geschichten der Christlichen Kirche, in Dichtungen, Leipzig 1841) hebben in gelijken trant en vorm, maar met minder genialiteit dan Herder, ook deze Legende bezongen. Hoewel ik aan de bewerking des eersten boven die des laatstgenoemden de voorkeur geve, zoo kan ik aan geen van beide Dichters hoogeren lof toekennen, dan dat zij de Legende vrij getrouw in gladde verzen hebben teruggegeven, zonder nochtans van al de fijne trekken, welke het oorspronkelijk verhaal zoo overvloedig aanbood tot poëtische uitbreiding en schildering, zoo veel partij te trekken, als het onderwerp had verdiend. Beweert men, dat hetzelfde vonnis ook eenigermate den Auteur van dit Dichtstuk treffen moet: ik ben de eerste om toe te stemmen, dat ik beneden mijn model ben gebleven, en ten volle overtuigd, dat deze Legende eene betere en schoonere behandeling dan de mijne waardig is. Men vergete nochtans niet, dat de Auteur, door het nauwkeurige en uitvoerige van dit verhaal wel te rijkere stof ter bewerking vond, maar ook te meer is gebonden geweest en op zwarigheden heeft moeten stooten, welke hij bij eigene fictie beter had kunnen vermijden. Waar de opgave van het gebeurde uitermate kort was en veel te gissen overliet, heb ik gemeend dit te moeten aanvullen; overal, waar de duidelijkheid der voorstelling hierdoor winnen kon, vrij te mogen en iets te moeten verdichten; maar het verhaal zelf scheen mij te schoon en te heilig toe, om mij groote en veelbeduidende veranderingen daarin te veroorloven. Ben ik hier en daar van de oorspronkelijke voorstelling afgeweken, ik zal daarvan meestal in de Aanteekeningen rekenschap geven. Men heeft de aanmerking gemaakt, dat mijne inkleeding nog meer aan de eischen en regelen der kunst (welke, vooral in onze dagen, intrugie vordert) voldaan zou hebben, indien ik mij de vrijheid had vergund, na het geheele verhaal aan één hoofddenkbeeld ondergeschikt gemaakt te hebben, het dáár, waar mijn oogmerk dit medebracht, te veranderen; indien ik b.v. het Goddelijke raadsbesluit, waardoor des jongelings behoudenis, ondanks zijn schrikkelijken val, voltooid wordt, tot thema gekozen, en van het begin tot het einde op den voorgrond had gesteld. Maar evenzeer ben ik overtuigd, dat de zedelijke strekking des verhaals niet weinig zou geleden hebben, indien ik, evenals in het oude epos, mijnen Theagenes als het werktuig van een verborgen raadsbesluit had doen handelen. Naar mijn inzien is het eenvoudige thema van dit verhaal - geheel in overeenstemming met den geest en den hoofdinhoud des Evangeliums - ‘De mensch, hoe voortreffelijk van aanleg, kan allerdiepst vallen, maar, eenmaal gevallen zijnde, wanhope hij nimmer! Door de Goddelijke Liefde kan hij weder terechtgebracht en behouden worden.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove