Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

De St. Paulusrots. I.

De reis naar Java.

Nog even glinstert Hollands duin, Maar duikt, om niet weer op te komen, Zijn rossig hoofd, zijn vale kruin In 't donkre diep der blauwe stroomen. De kiel, die zich uit Java's tuin Met geurig kruid moet gaan bevrachten, Die rank gebouwd te water liep, Beproeft voor 't eerst op zee haar krachten; De zwaan, die in haar nest nog sliep, Ontplooit de hagelwitte schachten. Het schip, dat zwoegende op de ree Zijn' koopren boezem rijzen dee, En hunkrend lag naar 't sein te wachten, Spreidt nu met donderend geluid Een wolkgevaart van zeilen uit. De wimpel wuift in breede wrongen Het afscheid toe aan 't Vaderland; De scheepling fluit zijn lied in 't want; De Loods is in de boot gesprongen; Het laatst Vaarwel rolt van de tongen - De reis gaat naar het Oosterstrand!

o Java! Grootvorstin dier landen! Die, als met saamgevlochten handen, Zich slingren over d'Oceaan, En met hun bosch- en kruidwaranden, In 't bochtig kronklen van hun stranden, De zee een krans om 't voorhoofd slaan; - o Land der zonne, land der kleuren! Waar 't vuur, dat van den hemel speelt,

In de aarde een dubble groeikracht teelt, Of, als de nachtwind 't hoofd gaat beuren, Elk luchtjen is bevracht met geuren, Dat de afgekoelde slapen streelt; - Waar, in de scheemring van de bosschen, Met eeuwig groen en goud gekroond, Met bloem en vrucht aan de eigen trossen, De koninklijke tijger woont, Die rustend op zijn' boomstam troont, Of vleuglen aan zijn klauw gaat binden, En hongrig langs het rijstveld dwaalt, Om voor zijn welpen roof te vinden; - Waar hemelhoog de ceder praalt; Waar naast Banaan en Tamarinden Tot reuzenstam de heester groeit, En welig de Waringa bloeit, Die tak en vrucht naar 't aardrijk buigend En uit zijn korst weer voedsel zuigend, Dáár wortel schiet, en aan haar voet Weer bloem en vrucht ontspringen doet; - Waar met zijn scherpgepunte loten De Sago-palm staat opgeschoten, En om zijn kruin een' haarbos vlecht, Die sterker dan de vlasdraad hecht: Die 't merg houdt met zijn' schors omsloten Dat levensterkend voedsel schenkt, En met het sap, zijn stam ontvloten. Als laafdrank den vermoeide drenkt; - Waar 't Bamboes-riet uit forsche schalmen Zijn mastbosch bouwt en Kokos-palmen Hun blaadren welven over 't hoofd; Waar suikerplant en Mokka's ooft Door 't keerkringsvuur wordt rijp gestoofd: ô Vruchtbre en rijk gezegende oorden! Welk zoon van 't kil en neevlig Noorden - Schoon hij die bark en Hollands vlag Niet naar uw reede volgen mag, Schoon hij den rook van uw vulkanen, Van 't spieglend vlak der waterbanen, Nooit uit uw bergen rijzen zag, Noch onder palm of Pisang-loover Uw middaggloed ontschuilen kon -

Brengt niet verrukt zijn groete u over, o Land der kleuren, land der zon! Als Neêrlands rijkste welvaartbron!

Ja, U, bij d'aanhef van mijn zangen, Mijn dichtgroet, Morgenlandsche kust! Waar onze schoonste hope op rust; Die, als er dreigend wolken hangen Om 't eens gezegend moederland, Weer 't eerst, hoe fel de nood moog prangen, De vrees voor donkrer toekomst bant, En 't drukken van de veer ontspant Door 't oopnen van uw goud-trezoren; Die als ge uw kielen zendt naar 't West. Voor 't laatst een matten straal doet gloren, Die ons van vroegre grootheid rest! o Zag men tot uw verste streken - Waar thans nog Brama's outers staan, Waar thans nog Islams halve maan Haar hoornen boven 't kruis blijft steken - Den zilverglans dier maan verbleeken Voor morgenrood van schooner zon, Waarmee voor Java's binnenlanden Een nieuwe dag des heils begon! o Bracht de vreemdling aan uw stranden, o Bracht de dankbre Europeaan - Die thans met nooit verzaadbre handen Blijft graven in uw ingewanden, Die thans Maleijer en Javaan, Om uit uw altijd vloeiende aderen Zich vrucht en rijkdom op te gaderen, In 't dienstbaar juk gekromd doet gaan - In ruiling voor de ontvoerde schatten, Zóó wijd om 't strand uw golven spatten, U 't hoogre licht des geestes aan!

Zal ook uw oog dat oord begroeten, Koen scheepsvolk! dat die bodem draagt? - 't Is of één hunner 't zwijgend vraagt Aan 't vlokkig schuim, dat voor zijn voeten Door 't stampend schip wordt opgejaagd. Zie, wat u dreig' of moog ontmoeten,

Hoe wreed die hoop bedriegen mocht: Heel de aanvang spelt een' blijden tocht. Het jeugdig Barkschip, dat den rug Der golven langs glijdt, stout en vlug, Dat met drie-dubblen mast gekroond, Zich rap en moedig zwemmer toont, Is 't Britsch kanaal reeds ingevaren. Een frissche zeewind krult de baren; Het bramzeil zwelt om 't klapprend tuig, En met herhaald Hoezee-gejuich Wordt de uithoek van de kust vernomen, Die neevlig opdoemt uit de stroomen. De wimpel, die om steng en mast Eerst speelde, laat, vermoeid van 't zwieren, Zijn volle lengte westwaarts gieren - De wind staat in 't Noord-Oosten vast. Het land is vlottend weggedreven; Brittanje's krijtgebergt verdween. En Finisterre's kaap vlood heen. De kiel wendt zuidwaarts nu haar steven, Door hooger golven voortgekruid, En spant haar breedste vleuglen uit, Om dwars door 't lauw en drukkend Zuid, Van lucht en water slechts omgeven, Naar 't gloeiend Oosten voort te streven.

En sneller bruist zij, sneller voort, Daar wind en zee haar lendnen spoort, En vroolijk schalt de roep aan boord, Zoo dikwerf in den nacht De op 't dek verdeelde wacht, Aan roer of gangboord, van haar post Met belgeklink wordt afgelost. Door stilte noch door storm gestoord, Zeilt ze altijd zuidwaarts voort, Tot waar de gouden druiftros gloeit, Die op Madera's heuvlen groeit; Tot waar men 't rozenvervig licht Om Teneriffe's piek ziet glanzen, Als reeds de zon dook voor 't gezicht, En 't purpergroen van de avond-transen Voor 't donkre bruin van 't nachtfloers zwicht.

Doch matter roert de wind zijn vlerken; Hij staakt zijn schor en forsch geblaas, En fluit niet meer langs stag en raas, Schoon meerder zeil zijn kracht komt sterken. 't Wordt doodlijk stil en drukkend weer. De rappe kiel vertraagt haar gangen; De wimpel stoeit niet speelziek meer, Maar blijft als 't zeil aêmechtig hangen. Een warme regen klettert neer, En hecht zijn' drop aan doek of touwen, En gaart zijn vocht in kreuk en vouwen; Of 't dompig zwerk vlamt keer op keer, En 't opgescheurd gordijn der wolken Ontsteekt een vuurwerk langs de kolken. 't Gebruis der golven is gestild, Wier kruin, al steigrend, lager zakte; De waterheuvel wordt een vlakte, De zee een gladgewreven schild, Waarop de vingertop kon schrijven, En de omgekrulde veer blijft drijven, Niet door een zuchtje omhoog getild; Zóó roerloos schijnt de kiel te blijven, Als had haar 't anker vastgedrild. Men worstelt nachten door en dagen. Vergeefs de komst van d' Oost-passaat Getoefd met elken dageraad, Die 't schip weer van zijn boei ontslaat, En 't in zijn zuiging mee zal dragen! Slechts stilte heerscht er mat en loom - De bark is uit haar koers geslagen Of afgedreven voor den stroom.

In 't eind begint de lucht te klaren: De koelte wakkert aan in 't varen: Rept nu de hand aan loef en lij! Brast nu de zeilen, viert de schoten! Ziet scherp vooruit ter wederzij, En heft het hoofd weer, Tochtgenooten! Blijf, wakkre Stuurman, 't roer nabij! Zie hoe uw schip, in 't bonzend slingren, Wanneer de vuist om 't stuurrad klemt, Den greep weer voelt der vaste vingren

En als een watervogel zwemt! Als morgen weer aan de Oosterkimmen De Dagvorstin ten troon zal klimmen, Dan voelt gij hoe de linie brandt, Waar zij om de aard haar cirkel spant; Dan zal ze, als groet van 't zengend Oosten. De ontbloote borst en 't voorhoofd roosten; Dan zult ge u 't gudsend zweet getroosten; Dan snijdt uw boeg de middellijn; Dan zal 't Neptunus-feestdag zijn! Zie, bij het eerste stargeflonker, Bij 't worstlen van het licht en 't donker, Is 't, of gij in het grauw verschiet Den Watergod reeds naadren ziet, Die half verstoord om cijns komt vragen Aan elk, die op zijn rijksgebied Voor 't eerst het dobbrend lijf gaat wagen. Hij komt, en voert als staf der zee Zijn scherpgepunten drietand mee; Maar aan zijn zij' geen Stroomgodes, Zich wiegende in haar schelpkales, Door Nimf en Triton voortgedragen. - Een vuurschuit is de koningswagen, Waarop de Vorst der waatren rijdt, Die, vóór de plecht om, nader glijdt; Een boot, waarin de pekton vlamt, Als 't outer, dat hem wierook dampt, Dient tot een rustpunt voor zijn' voet, Van waar hij 't zeilend schip begroet. Hij spelt, zoodra weer d'uchtend gloort, Zijn komst en strafgericht aan boord; Hij dreigt elk' nieuwling op den tocht, Of wie hem stout braveeren mocht, In 't sop te plompen en te doopen, Tot hij, door 't overstelpend vocht Van hoofd tot voetzool nat bedropen, Al rillend lijfsgena verzocht, Of van de straf zich vrij mocht koopen. En 't volk, dat naar de voorplecht spoedt, Of langs den mast is opgekropen, Schreeuwt luid ‘Hoerah!’ zwaait muts en hoed, En brengt Neptuin den zeemansgroet.

Men laat de ton ten prijs der golven, Die hupplend naar hun' maatslag danst, En als een vuurge kogel glanst, Tot zij, door 't zwalpend schuim bedolven, Voor 't laatst met bloedrood schijnsel blinkt, En knettrend naar de diepte zinkt. Nu heerscht gewoel en vreugde op 't dek, En schoon aan 's hemels koepeldak De nacht haar lampenkroon ontstak, Nog blijft het bootsvolk in gesprek; Niet met het drukkend voorgevoel Van ongekende smart, Maar deelende in het blij gejoel Bant elk de zorg van 't hart. Men drinkt met langgerekte togen Den stroom der frissche zeelucht in, Die wapperend komt aangevlogen. Men kout en schertst met schalken zin; Men haalt weer op van vroegre tochten, Van vliegend schip en zeemeermin, Van rooversprauwen in hun krochten, En zwetst van eigen moed het meest. Men scheidt uiteen, verruimd van geest, Als wie geen naadrend onheil vreest, En 't schomlend leger ingesprongen, Door 't golfmuziek in slaap gezongen. Droomt elk reeds van 't Neptunus-feest.

Ach! 't is uw blijdste dag geweest. Hoe 't scherpziend oog vooruit moog staren - Niet een, die 't schrift der toekomst leest, Of ons haar neevlen op kan klaren; Een handpalm scheidt u van de baren, Een dunne plank van grondloos diep, Dat nimmer op uw zeereis sliep, Maar grommend steeds om offers riep: Toch slaapt ge en droomt van geen gevaren! Zóó huppelt aan 't Javaansche strand, Met argloos uitgestrekte hand, Het speelziek kind den vlinder na, Die, dartlend over 't bloemenbed, Op 't blad van een Magnolia

Zijn waaiers vouwt en openzet, Maar ziet de zwarte boomslang niet, Die tusschen 't loof haar zwadder schiet. - Zóó slaapt, van geen gevaar bewust, De Hindoe aan Bengalen's kust, Maar hoort de twijgen ritslend kraken, En ziet (o ijzingvol ontwaken!) Een' tijger, die, op prooi belust, Den vuurblik van zijn vlammende oogen Strak houdt geveld, en onbewogen Hem aanstaart; die zijn' vóórklauw rekt. En 't bronzig lijf, eerst laag gestrekt, Hoog opkrult tot een reuzenwrong, De lengte metend voor zijn' sprong. Ach, 't vuur, nog in de wolk verborgen, Scheurt ras als bliksem 't zwerk van een, En tusschen 't heden en het morgen Bruist licht een zee van jamren heen!

Wat spooksel breidt ginds langs de watren Zijn breede vlerken uit, schoon 't niet Door 't oog des wachters wordt bespied? - 't Is of de zeilen boller klateren, 't Is of de winden holler schateren: Met zwaarder basstem zingt de zee; De golven slaan terug en botsen, Alsof de schrik ze vluchten dee', En razen, in 't weerbarstig klotsen, Als stemde de echo veler rotsen Luid schaatrend in dien wildzang mee. Waar ginds uit waterrook en nevelen Een logge steenklomp op komt hevelen, En onverpoosd de golfslag brandt, Dáár ligt met wit omschuimden rand, Met scherpgespleten kloof en tand, Een donker klipgevaart! Het steekt zijn' rug en naakten kop Als een veelhoornig monster op, Dat schrik en ijzing baart. 't Houdt verre 't schubbig lijf gestrekt, Maar van de waatren overdekt, En geeselt met zijn' staart

De golven, wier gekromde pluim Hoog opwaait, en het kokend ruim Der zee bestrooit met schuim. Gelijk een sterk gebouwd kasteel Met torenspits en kapiteel, Dat, schoon reeds half in puin gezonken, Nog ijzervast blijft saamgeklonken. Getooverd door uw hand, Natuur! - Een citadel met trans en muur, Bestookt door nimmer zwijgend vuur, Waar rustloos op wordt storm geloopen, Maar zonder dat het golfgeklots Lunet of ravelijn kan sloopen, Ligt dreigend dáár St. Paulus Rots!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove