III.
Maar 't beekje, dat, bang voor dien plundrenden roover,
Des winters zich schuilhoudt en koud is als lood;
Maar - fluistert de lente zijn aftocht er over -
Weer spartelt en wegduikt langs 't hangende loover,
Of dartel zijn spieglende golfjes ontbloot;
Dat zachtkens zich rimpelt als 't rimplen der blâren,
Die de avondwind afschudt en strooit langs zijn stroom;
Maar schuimt het langs rotsen, dan opkrult in 't varen,
Gelijk soms de zefir de krullende haren
Der veldjeugd doet wappren, die danst aan zijn zoom.
Dit beekje is 't speelblad met de elpen klavieren,
Dat zielloos als marmer en roerloos daar staat;
Maar als er de vingers op spartlen en gieren,
Dan opbruist in tonen, en klanken doet zwieren,
Die 't hart ons doen trillen en slaan naar de maat.
Zoo vroolijk speelt Natuur, als heuvlen en valleien
Zich baden in den uchtendgloed;
Wanneer 't gevederd koor, in zangerige reien,
D'ontwaakten dag begroet;
Maar 't zij haar speeltuig 't lied der vreugde stemt, of zachter
Een zoet gevoel van weemoed baart,
Steeds voert zij 't harte hemelwaart,
En laat de wereld achter.