I.
Lieflijk is 't om aan te staren, Hoe de maagdelijke krans, In de schoonste lentejaren, Als de knop springt uit zijn blâren, Schittert in zijn eersten glans; Schooner dan de bloesemvlechten, Die om 't hoofd der bruid zich hechten, Als zij rondzweeft in den dans! - Als langs 't bloembed, versch bedruppeld, 't Lichtgeschoeide voetje huppelt; Als de reeds volbloeide maagd Nog een eedler sluier draagt, Dan haar blonde lokken weven; Als ze, in 't hart nog kind gebleven, Welk een lof haar schoonheid vraagt Onbewust is, of slechts even, Merkt, hoe ze ieders oog behaagt. Zielverteedrend is 't aanschouwen, Hoe een moeder, vroom en goed, 't Dochterken de handen vouwen En, vol zielsrust en vertrouwen, Aan haar zijde knielen doet: - Als 't jonkvrouwelijk gemoed, Naar haar voorbeeld en haar leere, Vroeg zich toewijdt aan den Heere, Voor den Hemel opgevoed; Als haar schoonheid wordt geheiligd Door het moederlijk gebed,
Dat als Engel haar beveiligt, Waar de maagd haar schreden zet; Als ge in dat vereenigd knielen Van die saamgesmolten zielen - Wen ge uw gade en kind bespiedt - De onschuld van 't geloove ziet! Als bij 't zwijgend nadertreden, Stil door u wordt meegebeden: ‘Word met al de lieflijkheden Van uw moeders geest bedeeld! Kind! blijf vroom en rein van zeden! Dochter, draag uw moeders beeld!’
Maar geen beeld, zoo zwart van verven, Als wanneer de zilvren kroon, Die de maagd droeg, smetloos schoon, Eer zij uitbloeit, gaat versterven; Als de moeder voor haar kind, Dat haar argloos teeder mint, De engel des verderfs moet heeten, En de schuld draagt op 't geweten, Dat de zonde heeft verwoest, Wat, om tot Gods eer te bloeien, Heerlijk nog ontluiken moest; Als ons oog een traan laat vloeien, En vol deernis op haar ziet, En de zucht aan 't hart ontschiet: ‘Jong nog, en zóó diep bedorven.... Kind! ach, waart gij vroeg gestorven! Dochter! vloek uw moeder niet!’
Zóó droef werd mij de ziel, Salome! om u bewogen, Als 'k op uw jonkheid staarde en van uw misdrijf las; Zóó treurig, treurger nog, rijst ons uw beeld voor de oogen, Dan of dat schitt'rend kleed, als danskleed aangetogen, De lijkwade eener doode was, Vroeg in haar aardsche hoop bedrogen: O Dochter van Herodias!
Cookies on Poetry Cove