Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

III.

Avondstilte.

Kalmte zeeg met d'avond neder, 't sluimrig koeltje, dat er suist, Schijnt de zee in slaap te wiegen, die alleen aan d'oever bruist. Effen ligt de waterspiegel met zijn wit omschuimden rand, Blinkend als de zilvren maanschijf, die haar hoornen slaat om 't strand. Slechts de zeemeeuw, die in 't zwieren met haar strak gespannen vlerk, Als het wit dier blanke zeilen afsteekt tegen 't dompig zwerk, Teekent krinkels met haar wieken over 't onberoerde glas, En de blozende avondwolken jagen schimmen langs den plas. 't Plechtig ruischen van de stranden wekt nog dieper stilte alom, Als eerbiedig stemgefluister in een hooggewelfden dom. Toen de storm op breede vleuglen straks de grauwe lucht doorvoer, Schetste 't wilde spel dier baren ons der volken woest rumoer, Eeuwige onrust, woeling, werking! - thans zien wij hier 't beeld der rust, Die, in 't stil gebied der graven, de oogleên der vermoeiden kust.

Zie, de Dagvorstin in 't dalen, raakt de zoomen van den vloed! Aarde en hemel, lucht en golven smelten samen in één gloed! Rustende op een sprei van wolken, buigt zij 't vlammendragend hoofd - Nog één ooglonk! - nog een flikk'ring! - en haar straalkrans is gedoofd! Slechts de zee blijft vlammend glinstren, waar haar vuurbol nederzonk. 't Is als 't sterven van den dichter, in wiens hand de lier nog blonk! Neen, als 't sterven van den Christen, die gestreden heeft als held, En verwinnaar is gebleven op de baan hem voorgesteld! Die op 't strijdperk, waar hij kampte, nog een oog vol weemoed slaat, En den weerglans van zijn deugden aan de wereld achterlaat!

't Prachtig vuurwerk is verdwenen; 't Kwijnend licht heeft uitgeschenen;

En de nacht zinkt stil en grootsch; En de schepping om ons henen Draagt de blauwe tint des doods. 't Is de voorboô van den nacht, Die ons wacht, Als, na lachen en na weenen, Onze dagloop is volbracht! Onder weenen en genieten, Blijft het zand door 't uurglas schieten, Blijft de kruik haar water gieten, Tot heel de urn is leeggestort, En de stroom in 't strandwaarts vlieten Door de zee verzwolgen wordt!

Wat predikt ge ons, o Zee! - Welk lot is ons beschoren? Wat doet uw stem profetisch hooren? Gaat eens - gelijk de Rijn de waatren, die hij brengt, Onwillig met uw vloed dooreenplast en vermengt - Ons leven in de zee der eindloosheid verloren? Zijn we, in ons vluchtig aardsch bestaan, Niets meer dan offers der vernieling, Dan waterbellen, uit de wieling Gerezen van den Oceaan? Die bobb'len op de zee des levens, Maar barstend, na een luttel bevens, In 't grondloos diep weer ondergaan? -

Neen! schoon ons aanzijn hier, bij de eeuwigheid berekend, Geen druppel bij uw volheid zij; Mijn geest, zichzelf bewust, voelt dat hij meer beteekent, Ontzaglijke Oceaan, dan gij! Kan 't scheemrend oog uw grens niet merken, In 't breed bewolkt verschiet - Gij, wijde Zee! hebt nog uw perken, Maar mijn bestemming niet!

Zien wij hier slechts neevlen grijzen, Niets dan wolken, schuim en vloed, Verder gaat het land weer rijzen, Door den scheepling onder 't wijzen, Vaak met blij gejuich begroet! - O, zoo hevelt uit de stroomen

Voor de vromen Eens de kust, Door geen sterflijk oog te aanschouwen, Maar die zeker op komt blauwen, Met haar zalige landouwen, Als 't beloofde land der rust.

Zalig, zalig, wie 't geloovsn! Wien die hoop straalt in 't gezicht, Als de vuurbaak, die daar boven 't Hooge duinzand brandt en licht, Door geen stormwind uit te dooven! - Kalm ziet hij zijn levensstroom Snel verschieten langs zijn zoom; Bij de wentling van zijn jaren, Blijft hij hopend, smachtend staren Op de kust, die ginds hem beidt, En 't profetisch lied der baren Ruischt hem toe: ‘Onsterflijkheid!’

Zoo strekt aan de uitheemsche stranden Vaak de balling, die dáár treurt, Naar het avondrood de handen, Dat het zeegroen purper kleurt; Naar de wolken aan de transen, Die als vuurge bergen glanzen, Reikt hij de armen als naar 't beeld, Dat hem in zijn droomen streelt; 't Koeltjen uit de lucht gezegen, Waait hem balsemgeuren tegen Van het overzeesche strand: Iedre golf die aan zijn voeten Neerspat, brengt zijn oor de groeten Van 't gezegend Vaderland.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove