IV.
O wat is 't gezicht betoovrend op dit plekje bovenal, Glad van 't fijne dennenstrooisel, als men neerziet in het dal! Zie, hoe stout van hier de heuvel glooit en afgolft naar beneên!
De avondwind blaast distelvlokken langs zijn ruige kloven heen. Zie, hoe rustig gindsche molen d' eens gevormden kring beschrijft, En met strak gespannen vleuglen zwierend op den luchtstroom drijft. Zie, hoe hij langs struik en velden telkens donkre schimmen jaagt, En bij 't opslaan van zijn wieken, half vergulde toppen draagt! Zie, hoe statig zich de toren opheft uit de roode kom, En op 't stadje vriendlijk neerziet, dat zich aansluit van rondom, Als een herder, die zijn kudden aan zijn voeten ziet geschaard; Als een Priester, wiens gemeente biddend nederknielt op de aard.
Hier rees in vroeger eeuw, uit de opgetaste zoden, Een outer (zegt de maar) het Godendom ter eer; Zij zijn niet meer de Noordsche fabelgoden; Hun geest is uit dit oord gevloden, Geen Bardenlied bezingt hen meer! Maar heilig ons de zucht, die 't voorgeslacht bezielde! Die, als bij de offervlam het lied des Priesters klom, Liefst onder 't koepeldak des blauwen hemels knielde, En liefst der heuvlen top zich koos ten Heiligdom! Ook wij, wij hooren hier Gods adem om ons suizen, Als sprak de Godheid ons, in 't statig mastbosch-ruischen, Uit t'onverzengde braambosch aan; Ook wij, wij voelen 't hart van huivrende' eerbied slaan, Als had een hemelstem hier uit de wolk gesproken, En - moest d' onzichtbren God nog 't zichtbaar outer rooken - Hier moest een offer zijn ontstoken! - Hier moest een altaar staan!
Cookies on Poetry Cove