V.
Bl. 46. Ziet hen, de veege zwervelingen, Waar strandbewoners hen omringen.
Ik heb hier, in eene soort van tusschenverhaal, ingevlochten en in korte en breede omtrekken beschreven, wat men in het Journaal van den Stuurman nauwkeurig en uitvoerig verhaald zal vinden; en zekerlijk zal men hem, niet zonder klimmende belangstelling, op zijnen tocht langs de kust van Brazilië vergezelien, wat hier, om niet aan de eenheid der voorstelling te schaden, alleen van ter zijde vermeld en vluchtig argeschaduwd mocht worden.
Bl. 47. Ja, u een aandeel aan de glorie, Brazielje! van 't menschlievend feit - Ja, u de cijns der dankbaarheid Van 't Hollandsch hart - - -
Daar ons Vaderland zelden of nooit achterlijk is gebleven in het erkennen van menschlievende daden, door vreemden aan Landgenooten bewezen, zoo verstrekte het mij tot innig leedgevoel, dat de menschlievende handelwijze van den President te Sobral, den Gouverneur der Provincie Ceara, en den gezagvoerder op den schooner de Maranhon (welke men eerst recht leert kennen en waardeeren, als men het onopgesmukte verhaal van den Stuurman gelezen heeft) van onze zijde door niet eenig blijk van erkentelijkheid was gehuldigd geworden. - Aangezocht door de dankbare beweldadigden zelven, die deze menschlievendheid nimmer zullen vergeten, was ik voornemens, een daartoe leidend verzoek aan de Regeering te richten, en de algemeene aandacht opnieuw te vestigen op een feit, hetwelk, naar het scheen, slechts weinig bekend of alreede in de vergetelheid begraven was. Te aangenamer was het mij daarom, onder het afdrukken dezer bladzijden, (bij de derde uitgave) nog tijdig uit de nieuwsbladen te vernemen, dat het den Koning behaagd heeft, de edelmoedige pogingen van de twee laatstgenoemde Vreemdelingen tot redding van Nederlandsche schipbreukelingen beproefd, te erkennen en te beloonen, door den Heer Ignacio Correa De Vasconcellos, die het Braziliaansch Gouvernement te Ceara vertegenwoordigt. het Commandeurskruis der orde van de Eikenkroon te vereeren, en den Luitenant ter zee José Marie Rodrigues, die de Maranhon gecommandeerd heeft, te benoemen tot Ridder der orde van de Nederlandsche Leeuw. Zóó rechtmatig en verdiend als nochtans deze hulde is, zoo onnauwkeurig is het in de nieuwsbladen gezegd, dat het overgebleven gedeelte der bemanning van het verongelukte schip aan deze menschlievende handelwijze zijne redding zou verschuldigd zijn, welke het eeniglijk, naast de Voorzienigheid, aan den Heer Snell te danken heeft. Doch eere zij aan onzen Koning, dat Hij geenszins - omdat deze tocht vruchteloos ondernomen en volbracht is - zijne Vorstelijke belooning heeft teruggehouden, maar ook hier het beginsel heeft toegepast, hetwelk onze Tollens, na de terugkomst der Hollanders van Nova Zembla, zóó schoon aan het geheele Vaderland toekent: ‘Het rekent d' uitslag niet, maar telt het doel alleen.’ Ik heb het evenzeer gewaagd, bij de toezending van een Pracht-Exemplaar, door de Uitgevers daartoe bestemd, Z.M. onzen Koning (Willem II) opmerkzaam te maken op het loffelijk gedrag van den Stuurman en diens merkwaardige lotgevallen: en het verstrekte mij tot een streelend genoegen, bij de derde uitgave, als eene vernieuwde proeve van 's Konings belangstelling in al de omstandigheden der gebeurtenis, te kunnen vermelden dat ik, bij een Kabinetschrijven van 16 Aprii 1847 ten behoeve van den eersten Stuurman van het verongelukte schip, en diens huisgezin, eene som van f 100 heb mogen ontvangen, uit 's Konings eigene fondsen verstrekt.
Bl. 50. De dag, die Neérlands dankbre zonen, Ter beévaart roept naar 't heiligdom.
De dag, ter gedachtenisviering der overwinning van Waterloo bestemd, vroe-ger algemeen in ons Vaderland als een dankdag gevierd, was de dag hunner redding. Van het vaderlandsch gevoel mijner Lezers mocht ik hopen, dat hunne belangstelling in deze altijd heuglijke en gedenkwaardige gebeurtenis niet zóó geheel zou zijn verflauwd, dat zij deze toespeling in mijn gedicht misplaatst zouden rekenen.
Bl. 52. ‘Ik help - zoo waarlijk help' mij God! - En berg 't rampzalig overschot.’
De Scheepskapitein, die hier sprekend wordt ingevoerd, is de Heer William Snell, gezagvoerder op het schip de Elisa. Zonder iets op den lof te willen afdingen, dien men aan de menschlievende handelwijze van den Heer Roxby heeft toegezwaaid, schroom ik niet openlijk te verklaren, dat de eerstgenoemde tot behoud der schipbreukelingen althans geene mindere opofferingen zich getroost heeft. Veilig mag ik mij, deze verklaring uitende, op het gevoel mijner Lezers zelven beroepen, wanneer zij het nu volgende omstandige verhaal dezer merkwaardige schipbreuk, tot den einde toe, zullen gelezen hebben. Het kan zijn, dat er geldende redenen bestaan, waarom men gemeend heeft hier eene uitzondering te moeten maken: maar anders waag ik het, hier nogmaals met de meeste bescheidenheid den wensch te uiten, dat ook deze daad, en het menschlievende gedrag van den President te Sobral, welke tot hiertoe onvergolden zijn gebleven, evenzeer openlijk mogen erkend en gehuldigd worden, opdat het ook hierin bij vernieuwing blijke waarheid te zijn, wat ik bezongen heb, dat Nederland, hetwelk zulk een lofwaardig voorbeeld van menschlievendheid aan andere volken blijft geven:
‘Ook 't schoon dier deugd in vreemden eert.’
Cookies on Poetry Cove