Bl. 295.
Zalig zijn zij, die niet gezien en nochtans zullen geloofd hebben.
Het slot van dit gedicht heeft, met uitzondering van de eerste strophe, in versmaat en zekere uitbreiding der gedachte, eene niet onbeduidende verandering ondergaan. In zijn tegenwoordigen vorm verscheen dit stukje in het ‘Christelijk Album.’ Ik meende namelijk (gelijk ik dáár reeds te kennen gaf) dat dit slot, met de bovengenoemde wijziging, lichtelijk tot een lied kon omgewerkt worden, 't welk misschien, bij de behandeling van dezen schoonen tekst, zoo zich daarvoor eene gepaste melodie liet vinden, ook door de gemeente zou kunnen gebruikt en gezongen worden. Als zoodanig heeft het dan ook bij de Commissie tot den Vervolgbundel der Evangelische Gezangen eene goedgunstige ontvangst gevonden. Als zoodanig behoort het mede tot het klein getal der gewijde liederen, die later in dezen bundel volgen. Om echter niet tweemalen nagenoeg hetzelfde te geven, oordeelde ik beter, aan dit stukje hier zijne plaats aan te wijzen. Dit slot was aldus luidende:
Heer, onzer zij die kroon! - Dat niets die kroon me ontroove!
Of, zoo die wensch te veel omvat,
Schrijf bij mijn naam in 't levensblad:
‘Gij hebt gewankeld in 't geloove,
Maar toch Mij liefgehad!’