Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

II.

Heel de schepping ademt vrijer, Nu de omwolkte lucht zich klaart; Bloem en heester heffen blijer 't Neergekromde hoofd van de aard. Treurig lieten twijg en takken De overstelpte blaadren zakken, Waar het drupplend vocht op woog, Maar het nederhangend loover Giet het nat op de aardkorst over, En springt ritslend weer omhoog.

Welkom, speelziek murmlend water, Dat u uitstort in het dal, Onder 't onverpoosd geklater Van dien kleinen waterval! Welkom, groene vijverzoomen! Witgevlekte beukeboomen, Aan wier voet het beekje plast; Die ons komt ter rustplek nooden, Daar een frissche bank van zoden Schier om iedren wortel wast!

Die kleine beek, half onder 't gras verscholen, Lekt ginds aan de overgroeide spil Van een bemosten watermolen, Maar laat het rustend scheprad stil: Zóó effen als die beek zijn de onbezorgde jaren Der zaalge kindsheid weggevaren; Zóó werkeloos vervloten zij;

De halmen aan den rand, die 't vlietje knikkend streelen. Of stoeiend met den wind krakeelen, Herroepen ons den tijd der kinderlijke spelen En 't wild gejoel der vreugd daarbij!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove