II.
Heel de schepping ademt vrijer,
Nu de omwolkte lucht zich klaart;
Bloem en heester heffen blijer
't Neergekromde hoofd van de aard.
Treurig lieten twijg en takken
De overstelpte blaadren zakken,
Waar het drupplend vocht op woog,
Maar het nederhangend loover
Giet het nat op de aardkorst over,
En springt ritslend weer omhoog.
Welkom, speelziek murmlend water,
Dat u uitstort in het dal,
Onder 't onverpoosd geklater
Van dien kleinen waterval!
Welkom, groene vijverzoomen!
Witgevlekte beukeboomen,
Aan wier voet het beekje plast;
Die ons komt ter rustplek nooden,
Daar een frissche bank van zoden
Schier om iedren wortel wast!
Die kleine beek, half onder 't gras verscholen,
Lekt ginds aan de overgroeide spil
Van een bemosten watermolen,
Maar laat het rustend scheprad stil:
Zóó effen als die beek zijn de onbezorgde jaren
Der zaalge kindsheid weggevaren;
Zóó werkeloos vervloten zij;
De halmen aan den rand, die 't vlietje knikkend streelen.
Of stoeiend met den wind krakeelen,
Herroepen ons den tijd der kinderlijke spelen
En 't wild gejoel der vreugd daarbij!