II.
Aan d' oever van 't beekjen; in schaâuw der abeelen, Rees needrig de lelie en sliep in den knop; De Zefir kwam 's avonds haar wiegen en streelen, En kuste des morgens de dauwdruppels op; Ras zag men haar 't hoofd aan de zwachtels ontscheuren. En toen nu het zonlicht haar aanloeg een poos, Ontsloot zij haar kelk en ontbond zij haar geuren, En de uchtendgloed maalde, in een mengling van kleuren, Op het zilver der lelie het purper der roos.
Ik zag haar in 't minnig ontluiken, Elvire! Nog nooit had een bloempje mijn oog zoo verrukt; ‘O zalig, wien ze eenmaal de lokken versiere, Wien ze eens aan de smachtende borst wordt gedrukt!’ Ik sprak en ontwaarde, aan het beekje gebogen, Een Engel, die peinzend de lelie bezag;
Hij scheen met haar schoonheid en teerheid bewogen; Een traan, die des weemoeds, bewolkte zijne oogen, Maar over zijn lippen zwierf vroolijk een lach.
Opeens schoot een vuurpijl uit ramm'lende wolken; De regenvloed gonsde in de zwellende beek; Haar bed werd herschapen in bruisende kolken; De lelie verbleekte, haar stengel bezweek. ‘Ach! wordt reeds haar schoon in den morgen verslonden?’ Zóó vragend verhief ik ten Hemel het oog: ‘Zij draagt niet de dorens, waar rozen mee wonden; Maar wordt zij te schoon voor deze aarde gevonden, Voer gij dan, o Engel, haar bloeiend omhoog!’
En de Engel ontplooide zijn ruischende vleugels, Als had hij verteederd mijn smeeken gehoord, En lei' met zijn blikken den stormwind aan teugels, En dreef weer het stroomnat terug in zijn boord; Ik zag, op zijn wieken zich wiegend, hem zweven, Hij vatte de lelie; haar stengel rees op: Hij hield aan zijn vingren een dauwdrop geheven, Die neergleed en zacht op de blaadren bleef beven, En eindlijk versmolt en verzonk in den knop.
Toen schiep hij, bij 't uitslaan der glanzende wieken, Terwijl hij al zwierend zich ophief en dook, Een koestrenden lichtstraal als 't dageraadskrieken, Waarop weer de lelie herbloeiend ontlook. Nu greep hij het bloempje, welks scheuten hij gaarde, En stak het omzichtig en zacht aan mijn borst: ‘Houd, jongling, die bloeiende lelie in waarde! Ze is rijker bekleed dan de vorsten der aarde, En gij, wien zij aanlacht, zijt rijk als een vorst!’
Hier zweeg hij; zijn hoofd was van stralen omgeven, Wier flikk'ring hem volgde bij de opvaart omhoog; Hij bleef dáár mijn schreden glimlachend omzweven, Waarheen ook de lelie zachtknikkend zich boog. - Wie was hij, die 't bloempje zóó trouw bleef behoeden? 't Was de Engel der Liefde, die waakte aan uw zij',
Wiens oog vol van deernis mijn boezem zag bloeden, Toen stormen den uchtend uws levens doorwoedden - De lelie, mijn kroon en mijn sieraad, zijt gij!
Cookies on Poetry Cove