II.
Wat treurgezang, wat klaaggeluid Dringt daar Jaïrus' woning uit, Waar 't maagdelijn ontsliep; En reeds de breed verspreide maar Een jammerende vriendenschaar Tot weegeklag en rouwmisbaar Om 't doodbed samenriep?
‘Ween, droeve, kinderlooze vrouwe! Verscheur de vlecht en 't kleed van rouwe! De roos, pas barstende uit haar knop, Als Saron's roos eens 't schoonst van allen, Liet in uw hand haar blaadren vallen, Verzilverd nog van d'uchtenddrop. Waar zoudt gij, arme! troost verwerven? Als Rachel zaagt ge uw kinders sterven.... Heel de aard, rampzaalge, heeft er geen! Nooit zult ge uw dochter de echtkoets spreien, Noch haar, aan 't hoofd der maagdenreien, Als bruid zien uit uw woning treên; Nooit in haar moedervreugde deelen, Geen kleinzoon op uw knieën streelen.... Uw toekomst en uw hoop verdween! Ween, kinderlooze moeder, ween!’
‘Jaïrus, ween, strooi assche op 't hoofd! De dood heeft u een spruit ontroofd, Die groende als 't loof van Liban's ceedren. Nooit zal haar zilverklare stem, Zoet als de harp van Bethlehem, Door haar gezang u 't hart verteedren. De krans welkte om uw slapen heen.... Strooi assche op 't hoofd, verscheur uw kleedren, En kinderlooze vader, ween!’
Dat treurgezang, dat klaaggeluid Barst thans Jaïrus' woning uit; - Hij hoort dat dof geween; Maar schoon de smart zijn ziel doorboort, Daar binnen galmt het godlijk woord, Door hem uit Jezus' mond gehoord: Vrees niet, geloof alleen!
Cookies on Poetry Cove