V.
Bl. 129. En riep hij jamrend keer op keer: ‘Geef mij mijn zaalge kindsheid weer!’
Velen mijner Lezers zullen zich, bij deze woorden, den Nieuwjaarsnacht van een ongelukkige in de Gedachten van Jean Paul, en een tooneel uit die Räuber van Schiller herinneren. Gaarne belijde ik, dat beide plaatsen ook mij voor den geest hebben gestaan. Te ongelijk is nochtans mijne teekening aan de hunne, en te verre staat zij daar beneden, dan dat ik voor de beschuldiging eener slaafsche navolging zou behoeven te vreezen. In dit gedeelte mijns Dichtstuks heb ik mij geheel van het veld der Overlevering op dat der Verdichting verplaatst, en mij alzoo te vrijer kunnen bewegen. Beide droomen van den jongeling heb ik hier ingelascht, niet enkel om die ter opsiering van mijn verhaal te doen strekken. maar ook om den snellen overgang tot de ontknooping der gebeurtenissen te verzachten, en het antwoord op de vraag, waaruit zijne zóó plotseling terugkeering en geheele zinsverandering te verklaren zij, eenigszins gemakkelijker te maken.
Bl. 132. Thans voelt hij 't nederstroomend vocht Zijn hoofd en schoudren weer besproeien, En, Hemel! 't is of van 't gelaat De vlek, die dáár geteekend staat, In tranen smeltend, weg gaat vloeien.
Men houde dit niet enkel voor eene dichterlijke speling. Clemens Alex. zegt in zijn verhaal, dat de jongeling in een vloed van tranen als ten tweeden male gedoopt werd. De Schrijver in het Christelijk Maandschrift roemt zeer het schoone der vergelijking van de tranen des berouws met den Doop, en wijst ons op Valois, in zijne Aant. op Eusebius. Zij is echter minder het uitvloeisel van het vernuft des Schrijvers, dan van de begrippen van dien tijd, en daaruit geheel te verklaren. Men hield het namelijk daarvoor, dat de vergeving, welke men bij den Doop deelachtig was geworden, opnieuw verzondigd zijnde, niet weder te verkrijgen was, dan door den marteldood, of eene buitengewoon gestrenge boete. Daarom wordt de marteldood meermalen door de Kerkvaders de bloeddoop geheeten. Daarom wil Clemens de tranen des jongelings, als in kracht aan een tweeden Doop gelijk beschouwd hebben, Dit gaf mij aanleiding tot zoodanige voorstelling van den herhaalden Doop, als ik, hier ter plaatse, heb gebezigd.
Bl. 132. Zijn rechterhand, met bloed bespat, Die hij in 't kleed verborgen had, Om haar aan 's grijsaards oog te onttrekken, enz.
Ik ben hier den inhoud van het oorspronkelijke verhaal vooruit. Eerst na de ontmoeting van Joannes wordt de jongeling voorgesteld, zijne rechterhand, daar deze met roof en moord bezoedeld was, in zijn gewaad verborgen te hebben gehouden; totdat de Apostel hem bewoog, haar weder te ontsluieren, en, zich voor hem nederwerpende, haar met kussen overdekte: aangezien (zegt onze geschiedschrijver) deze thans door het berouw gereinigd was. Of nochtans deze handeling van Joannes het verheven karakter en den helder verlichten geest des Apostels ten volle waardig zij, meende ik eenigszins te mogen betwijfelen. Ik wilde echter deze bijzonderheid (welke Eusebius in zijn verhaal onvermeld heeft gelaten) niet ganschelijk voorbijgaan, en heb haar daarom als een droombeeld, in de ziel van Theagenes opkomende, ingekleed.
Cookies on Poetry Cove