Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

II.

De Rijn.

Wat zijt gij, o Rijn, op de bergen ontsprongen! Waar gij, aan de borsten der Alpen gevoed, Voor 't eerst door de rotsen komt schuiflend gedrongen,

En vroolijk naar Zwitserland's dalen u spoedt? - Dáár zijt gij een wicht, dat nog huppelt en spartelt, Dat speelziek en roekloos langs afgronden dartelt, Met de Alproos door 't haar en gevleugelden voet!

Wat zijt ge, o Rijn! waar gij, met daverend geweld, Bij Laufen's bergkasteel naar lager bedding snelt, En meesleept wat uw stroom heeft in zijn vaart getroffen? - Waar gij der rotsen rug doorklooft En, in het zwalpend nederploffen, Een wilden sneeuwstorm doet ontstaan, Die 't golfmuziek van d'Oceaan En 't buldrend gonzen van d'Orkaan In stroomgedruisch verdooft!

De jongling met ontwaakte krachten, Die voorwaarts, voorwaarts steeds, blijft trachten, En, trotsch en zalig door de min, Een Eden voor zich ziet ontsloten, En elken slagboom weg wil stooten, Stormt zóó met drift de wereld in.

Wat zijt gij, waar uw stroom trots tusschen bergen wiegelt, Omwingerd tot de kruin, of 't ridderslot weerspiegelt, Dat schijnt gehouwen uit den rotswand, die het draagt; Waar de echo der vervlogen eeuwen, Als 's nachts de heesche stormen schreeuwen, In d' uitgehoolden bouwval klaagt?

Dáár zijt ge een man, tot mannenkracht ontwikkeld, Wien zucht naar roem als brandend koortsvuur prikkelt, Een strijdbaar held, die sterkte aan schoonheid paart, Die met omkransten helm steeds voortstreeft ter victorie, Maar, na verzadiging van glorie, Met sombren blik op 't puin van aardsche grootheid staart.

Wat zijt gij, waar uw stroom, verheugd ons erf te ontmoeten, Twee armen openbreidt voor't oord, dat hij komt groeten. Waar 't helder zilver van uw nat Den kleederzoom kust en de voeten Der grijze Veluwstad?

Waar 't slank en rijzig dennenwoud Op 't hoofd der heuvlen staat gebouwd, Waar aarde en hemel lacht; En, steeds in hoogtijdsdos getooid, Natuur haar bruidsgewaad ontplooit, En kleuren door de dalen strooit, Met morgenlandsche pracht.

Dáár, waar ik mijmm'rend om mocht dwalen, In 't zielverteedrend schemeruur, Wanneer me uw stroom, geglansd door zachte maanlichtstralen, Een zilvren melkweg scheen, vol tintlend starrenvuur, Omlaag zich kronklend door de dalen, Als boven door het luchtazuur.

Dáár schijnt gij weer jong, als een oude van dagen, Die, schoon hij de rimpels op 't voorhoofd moog dragen En dicht is genaderd aan 't einde der baan, Toch, als hij het feest van zijn kindren mag vieren, Nog lustig en vroolijk den beker ziet zwieren, En 't hart weer verjeugdigd van vreugde voelt slaan!

Wat zijt gij hier, waar 't blinkend zand der duinen Ter weerzij rijst en heenstuift langs uw vloed? Waar dunne helm op kaalgeschoren kruinen In d'avondwind zijn pluimen wieglen doet; Waar gij, gewoon plechtstatig voort te bruisen, Nauw hoorbaar zucht en murmelt langs uw zoom; Waar men uw kil heeft saamgeklemd in sluizen - Wat zijt gij hier? o machtige Alpenstroom!

Hier zijt ge een grijze, aan d'oeverrand van 't leven, Wien 't moede hoofd zinkt op zijn pelgrimsstaf, Die 't kruipend bloed steeds trager om voelt zweven, Die met den voet reeds waggelt over 't graf. Hier, Stroommonarch! ziet ge u de kroon ontrukken; Onttroonde Vorst! - hier eindt uw rijksgebied, Moog half Euroop voor uwen schepter bukken, De zee, uw graf, ontwijken, kunt gij niet!

Maar schoon ge uw kracht en luister hebt verloren, Dit reuzig sluisgevaart' dwingt eerbied voor u af!

't Getuigt: ‘Gij waart te groot, om in het zand te smoren!’ Het staaft ook hier uw rang: ‘als Vorst te zijn geboren!’ Daar 't dankbaar kroost, waaraan uw stroomkruik voedsel gaf, Dit Mausoléum heeft doen rijzen op uw graf!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove