II.
Herodes! toen ge aan 't vorstlijk maal, Waar 't West zich huwde aan al de praal, Van 't weeldrig Oost, uw jaardag vierde, Bij harp en luit en feestcimbaal; Toen, vonklend op de gouden schaal, De beker langs de reien zwierde - Verscheen te midden van dien glans U toen het dreigend beeld des mans, Die dondrend sprak tot uw geweten? - Wie waart gij toen, wat wordt gij thans, Nu gij zijn lessen hebt vergeten? - Neen! aan Johannes dacht gij niet, Bij al dat kleur- en lichtgeflonker, Dien gij in 't eenzaam kerkerdonker Van 't vorstlijk burchtslot zuchten liet. En ware u ook zijn beeld verschenen, Gij zoudt den dweper 't oor niet leenen; Gij wilt geen boetpreek thans; gij ziet Slechts lach en blijdschap om u henen, Bij snarenspel en lied en wijn; Gij wilt geen heimlijk boezemwroegen, Maar slechts u baden in genoegen. - Welk dwingland, zwelgend aan 't festijn, Liet ooit zich foltren door gedachten, Wie schuldloos in een kerker smachten, Of door zijn wil rampzalig zijn?
En mocht ook 't licht dier blijdschap tanen, Mocht soms de vlijmende adderbeet Der wroeging, waar zijn hart aan leed, - Schoon hij onkwetsbaar zich blijft wanen - Aan 't gastmaal zich den toegang banen; Ééne is er, die de dartle vreugd, Die thans Herodes 't hart verheugt, Ten koste van haar schaamte en deugd, Tot zinsbedwelming op zal voeren: Die paarlen in de bloemen strooit, Waarmee zij zich de lokken tooit, En zich den haarband vast gaat snoeren,
Waarachter de open sluier waait; Die in het fijn doorzichtig kleed, Met zilv'ren starren overzaaid, Voor haar metalen spiegel treedt, En, tot den wulpschen dans gereed, Een wenk slechts afwacht, dat zij kome, Van haar, die thans haar raadsvrouw was, Dier moeder, die èn Antipas Èn haar geheel de ziel belas - Het is de jeugdige Salome, De dochter van Herodias.
Cookies on Poetry Cove