Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

II

De stem eens roepende wordt over de aard vernomen: ‘Voorwaar, al 't menschdom is als gras! En 's menschen heerlijkheid, waarvan nog dwazen droomen, Een nevel, die verzwindt, zoodra ze is opgekomen, Een hand verstuivende asch!’

Zij spreekt: ‘Ik ben de stem des roepende: “Bekeert u!” De stem des machtige: “Verneêrt u!” De stem des doodende: “Verweert u!” De boetgezant in 't harig kleed, Die met ontvolking dreigt, hoe ook uw steden kermen, En waar 'k mijn last volbreng, van deernis noch ontfermen, Veelmin van uitstel weet!’

‘Vergeefs uw kiel gewend naar schaars bezochte landen; Ik volg u na; ik reis onzichtbaar aan uw zij;

Ik sta als spooksel u te wachten aan die stranden, Ik ben er eer dan gij!’

‘Weer is de krijg ontvlamd; en waar hij bloed gaat zwelgen, Slaat ook de Schrik zijn tenten neer. Doch zoo 't de leus moet zijn: te slachten en verdelgen, Erken ik boven mij geen Meester en geen Heer. Hij moog nog duizende offers vragen, Maar ik heb in één nacht tienduizenden verslagen, En vel er daaglijks meer!’

‘Ik voer mijn strijdkar rond, met zwaarden aan haar wielen, En wie moog weigren voor een vorstentroon te knielen. Den nek te krommen voor het dwangjuk eens despoots, Ik handhaaf nog op aard - wat vorstenzetels vielen - De Koningsmacht des doods!’

‘Gij waagt in stoute vlucht der heemlen boog te meten, En wijst de vlekken aan, die ge in het zonlicht ziet; Wat zou voor u verborgen heeten, Bij 't licht der wetenschap? 't Heelal is haar gebied! Maar ik vernieuw de grens van 't kennen en van 't weten, Want mij doorgrondt gij niet!’

‘Gij noemt mij wreed. - Ik ben 't, als ik de teerste banden Des bloeds verscheur; als ik uw duurgekochte panden Terugeisch, als van God geleend: Toch blijf ik de Engel uit den hoogen, Die vaak den laatsten traan meedoogend af komt drogen, Door 't menschlijk oog op aard geweend; Die niet slechts scheidt maar ook hereent, 't Verloorne samenbrengt, soms binnen luttel dagen: -

Ik heb het schreiend wicht zijn moeder nagedragen, En toen met dankbren hemellach De zalige haar kind verengeld wederzag, Toen scheen het moederoog te vragen: ‘Wie zijt ge, o boô van Gods gena?’ ‘Ik wendde 't streng gelaat en sprak: de Cholera!’

‘Gij noemt mij 's Hemels straf; - en 'k ben een grimmig wreker, Voor wien de zicht des doods in onrijp koren slaat,

Voor wie zijn ziel verkocht aan 't kwaad, Of haar met aardsch genot verzaadt, En voort blijft zwelgen uit den beker, Als dreigend aan den wand het “Mene Tekel” staat; Voor wie in 't slijk der aard blijft woelen Om de opgevischte korlen goud, En in het welzand, dat de golfslag weg zal spoelen, 't Huis zijner hope bouwt; Maar niet, voor wie in dood en leven Weet op wat rots hij heeft vertrouwd, Wien hij zijn zielsgeloof met blijdschap heeft gegeven: Maar niet, voor wie in 't aardsche dal Als vreemdling 't zoekend oog ten Hemel hield geheven, En dáár in 't starrenschrift de hope zag geschreven, Die niet beschamen zal!’

‘Gij vraagt, hoe lang ik blijf? - O sterv'ling, van die ure Weet mensch noch Engel, God alleen; Maar 't zij mijn heerschappij één dag of jaren dure, Mijne offers zijn geteld en 'k vel er anders geen. Bid slechts, dat uit de tranenplassen, Waarmee ik de aard doorweek, een plant moog opwaarts wassen. Die voor den hemel bloesems draagt, Waaraan geen worm der zonde knaagt, En nooit zal u mijn komst verrassen; - Ja, 't smetgif, dat ik stort in de aadren, zal misschien De koorts zijn, die 't gebeent' van 't ziek Euroop doorhuivert, Maar 't doodlijk kranke lichaam zuivert: Dan zult gij op gebogen kniên In 't lijden, dat nu de aarde in weduwkleed doet rouwen, Gods heerlijkheid aanschouwen, De liefde eens Vaders zien!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove