Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

Verhaal van Clemens van Alexandrië. ‘Toen Joannes na den dood des dwingelandsVermoedelijk is hierbij aan Domitiaan gedacht, al heeft men het later waarschijnlijker geacht, hierbij aan een der vroegere Keizers, die het naast aan Nero grenzen, of aan Nero zelven te moeten denken., van het eiland Patmos naar Efeze was teruggekeerd, bezocht hij vandaar ook de bewoners der naburige plaatsen. Hier stichtte en vormde hij eene geheel nieuwe gemeente; dáár stelde hij een opziener aan haar hoofd; ginds weder koos hij dezulken tot de bediening der Kerke, die, bij de werping van het lot, door den H. Geest daartoe werden aangewezen. Alzoo kwam hij, op eene dier reizen, in eene niet ver van Efeze gelegen stad (wier naam door sommigen wordt opgegeven), om de broederen te vermanen en te vertroosten. Dáár ontmoette hij zekeren jongeling van eene schoone welgevormde gestalte, een bevallig en innemend gelaat, een vurigen. veelbelovenden geest. Joannes, hem ziende, wendde zich tot den Bisschop, aan wien het toezicht over deze gemeente was toevertrouwd, en zeide: “Deze jongeling stel ik onder uw opzicht, en beveel hem u ernstig en dringend aan! De geheele gemeente en Christus zelf strekken hiervan ten getuige!” En toen de Bisschop dit bereidwillig op zich nam, en alles, wat van hem geëischt werd, beloofde, herhaalde hij nog eens zijne vermaning tot getrouwe en waakzame zorg, met heiligen en plechtigen ernst, en keerde daarop naar Efeze terug. De grijsaard nam den aan hem toevertrouwden jongeling in zijn huis, voedde en verpleegde hem met vaderlijke teederheid, en deed hem, genoegzaam onderwezen zijnde, den doop ontvangen. Thans echter liet de Bisschop allengskens zijn nauwkeurig toezicht varen, meenende, dat het zegel des Heeren, hetwelk hij hem had toegediend, genoegzaam zoude zijn, om hem tegen het gevaar van alle verzoekingen te beveiligen. Maar, helaas! de jongeling, te vroeg van zijne leiding ontslagen en te kwader uur zijne vrijheid verworven hebbende, komt, tot zijn verderf, in het verkeer met loszinnige, aan lediggang en allerlei kwaad gewende knapen. Eerst verleiden zij hem, om aan weelderige gastmalen deel te nemen. Vervolgens, des nachts op berooving uitgaande, weten zij hem mede te sleepen en met zich rond te voeren. Eindelijk zetten zij hem aan, om ook iets grooters en stouters te bestaan. Maar al te spoedig werd hij ook daaraan gewoon. Zelfs de voortreffelijkheid van zijn aanleg, het schitterende van zijne geestvermogens, het vurige van zijn karakter, deden hem, éénmaal van den rechten weg afgeweken zijnde, te sneller voortijlen; evenals een fier en ongetemd paard, dat, uit het spoor gesprongen zijnde en den breidel afgeworpen hebbende, tengelloos naar een afgrond heenrent. En daar hij nu eenmaal de hoop op genade en zaligheid geheel had opgegeven, vergenoegde hij zich niet met het geringe of gewone, maar stond naar grooter en meer schitterende euveldaden, en rekende het zijns onwaardig, slechts aan zijn metgezellen gelijk te zijn. Hij verbond zich dan te nauwer aan zijne makkers, vormde uit hen eene rooverbende, en plaatste zich aan haar hoofd. Van die allen werd hij de stoutmoedigste, de geweldigste.

Na eenigen tijd wordt Joannes, wiens raad men behoefde, weder in deze gemeente ontboden; en zoodra hij hare belangen geregeld en aan het oogmerk zijner komst voldaan had, richtte hij andermaal het woord tot den Bisschop: “Welaan,” sprak hij tot hem, “geef mij nu het u toevertrouwde pand weder, hetwelk u door mij en den Verlosser zelven werd aangeboden, waarvan uwe gemeente getuige geweest is!” Deze was in het eerste ontzet en verslagen, meenende dat hij over gelden, welke hij niet ontvangen had, werd aangesproken, en wist niet, of hij Joannes moest gelooven of wantrouwen. Maar toen de Apostel, zijne meening verklarende, daarop volgen liet: “Den jongeling, de ziel eens broeders, eische ik van u!” toen sloeg de grijsaard zijne oogen neder, zuchtte en antwoordde in tranen uitbarstende: “Die is gestorven!” - “Hoe, welken dood?” vraagt Joannes. - “Voor God is hij dood!” herneemt hij; “hij is een booswicht geworden, een verlorene, een roover! In plaats van de Kerk, heeft hij gindsch gebergte met eene bende, aan hem gelijk, tot zijn verblijf gekozen!” - “Waarlijk,” dus riep hierop de Apostel bitter weenende uit, terwijl hij ten teeken van zijn rouw, zijn gewaad verscheurde en vol smartgevoel zich voor het hoofd sloeg. “Waarlijk, ik heb de ziel van dezen broeder aan een voortreffelijken wachter toevertrouwd! Maar laat er aanstonds een paard en een wegwijzer gereed zijn, om mij te geleiden!” Hiervan vergezeld, verliet hij op staanden voet de gemeente. Nauwelijks is hij op de bestemde plaats gekomen, of hij wordt door de buitenwacht der roovers gegrepen, doch, wel verre van te willen outvluchten of om genade te smeeken, roept hij met luider stem: “Juist, daartoe ben ik herwaarts gekomen. Voert mij onmiddellijk tot uw opperhoofd.” Deze stond intusschen in volle wapenrusting den gevangene in te wachten; maar zoodra hij in den nadertredende Joannes herkende, keerde hij zich schaamrood om en begaf zich ijlings op de vlucht. Maar de Apostel, ongedachtig aan zijne zwakheid en zijn hoogen ouderdom, volgt hem met versnelden tred, en roept hem na: “Waarom, mijn zoon! ontvlucht gij mij, uwen Vader, een weerloozen en ongewapenden grijsaard? Heb deernis met mij, mijn zoon! Vrees niet! Nog is er voor u hope ten leven! Ik wil bij Christus voor u borg staan, ja, indien dit geëischt werd, ben ik bereid voor u den dood te ondergaan, gelijk de Heer dien voor ons ondergaan heeft! Voor het behoud uwer ziele wil ik mijn leven zetten. Sta dan; geloof mij: Christus heeft mij tot u gezonden!” Toen de jongeling deze woorden vernam, bleef hij eerst met ternedergeslagen oogen staan, wierp vervolgens zijne wapenen van zich, begon te beven en te weenen; en als de grijsaard nu geheel tot hem was genaderd, wierp hij zich snikkend in diens armen, smeekte, zooveel hij kon uitbrengen om vergeving en werd in den vloed der tranen, die zijn gelaat overstroomden, als ten tweeden male gedoopt. Alleen zijn rechterhand hield hij nog in den boezem verborgen. Maar de Apostel bezwoer hem, dat er volkomen vergiffenis bij den Zaligmaker voor hem verkrijgbaar was, wierp zich voor hem neder, kuste diezelfde rechterhand, welke thans door het berouw was gereinigd, en bracht hem in de gemeente terug. Dikwerf ging hij hem vóór in het gebed, volhardde met hem in vasten en smeekingen, verzachtte de smart van zijn gewond gemoed door het troostrijke zijner redenen, en week niet eerder van hem, voordat hij hem weder in de gemeenschap der Kerke hersteld zag. Zóó stelde hij een treffend toonbeeld daar van ongeveinsd berouw, een krachtig en sprekend bewijs der wedergeboorte, een zegeteeken der zichtbare opstanding tot een nieuw en heilig leven.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove