II.
De bedroefde.
Stabat Mater dolorosa Juxta crucem - -
Maar ook geen smart als de uwe, o zielsbedroefde! Geen lijden kwam uw boezemleed nabij! Geen moeder, die, o zwaar van God beproefde! Zóó heeft geklaagd, zóó heeft geweend, als gij! Nu gij dien Zoon, dien de Engel kwam verkonden, Als d'erfgenaam van 't hoogste rijksgebied, Niet op zijn troon, maar stervende aan zijn wonden, Aan 't kruis verhoogen ziet.
Dáár staat ge en peinst, den Kruisberg opgestegen, Op Simeon, en ‘'t ziel-doorvlijmend zwaard!’ Dat zwaard - hoe scherp! - heeft u de borst doorregen, Het wringt zich om, als ge op uw liev'ling staart. Toch wijkt gij niet, schoon gij zijn bloed ziet vloeien: Toch wilt gij hier, schoon vleesch en hart bezwijk', Zijn doodsbed met uw tranen oversproeien, En weenen bij zijn lijk.
Doodsbleek, gelijk de Lijder zelf, of bleeker Nog dan Zijn kalm maar afgepijnd gelaat, Dringt ge elke teug mee uit Zijn lijdensbeker, Vangt ge elken zucht, die van Zijn lippen gaat. Gij voelt Zijn pijn bij 't schokkend ledenwringen; Gij hijgt naar lucht, als kort Zijn adem jaagt, En 't barstend hart dreigt uit uw borst te springen, Wanneer Hij bidt of klaagt.
Dáár hangt gij, in Joannes' arm gezonken, Als had de smart tot marmer U versteend! Nog blijft uw blik aan 't vreeslijk kruis geklonken, Maar 't brandend oog is moede en uitgeweend. Doch Jezus heeft de lippen weer bewogen; Hij ziet U aan; Hij spreekt op teedren toon, En weer ontspringt een tranenvloed uwe oogen. Bij 't ‘Vrouwe, zie uw Zoon!’
Vanwaar de kracht in 't leed U toegezonden? Heeft aan uw geest, slechts half geboeid aan de aard, 't Geheim zijns doods, dat de Englen nauw doorgronden, Zich in een straal van Hemelsch licht verklaard? Was dit geloof de balsem uwer smarte? Of schoorde uw knie, bij 't wagg'lend nadertreen, Terwijl uw bloed verdruppelde uit uw harte, De kracht der liefde alleen?
O Moedertrouw! waar de aard' van zal gewagen! De Kruisberg, die uw worstling zag en strijd, Heeft U niet slechts een doornenkroon doen dragen, Maar tot Heldin en Martlares gewijd! Gij maalt ons oog, toen 't zwaard uw borst doorkliefde, Als gij bij 't kruis en hoon en foltring tart: De zegepraal der Moederlijke liefde Op Moederlijke smart!
Cookies on Poetry Cove