Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

VI.

Ausoonje! vruchtbre gaarde, Waar heller zonnegloed Aan milder lucht zich paarde. En de altijd bloeiende aarde Olijf en druiven voedt!

Wat lispelt door uw dreven? Wat roert de ziel zoo zacht, En doet haar hooger zweven, Daar schimmen haar omgeven Van 't roemrijk voorgeslacht?

Wat fluistert door de blâren, Die welven langs den grond. En in een krans zich scharen Om 't puin der hoofdpilaren, Waar eens een tempel stond?

Hoor (heel de schepping luistert) Hier gaat de windharp slaan! Het oord, waarin zij fluistert, Dat ze aan haar tonen kluistert, Grijpt de eigen trilling aan:

Hetzij ze in d' aanhef suize, Als 't koeltje zacht haar streelt; Hetzij ze driftig ruische, En stout een wildzang bruise, Door d' avondwind bespeeld:

Ik hoor haar in uw dalen, Het zachtst, Parthénopé! Maar d'eigen klank herhalen, Waar wild uw heuvels dwalen, Als de aarde 't spel wil malen Van de opgestoken zee!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove