VI.
Ausoonje! vruchtbre gaarde,
Waar heller zonnegloed
Aan milder lucht zich paarde.
En de altijd bloeiende aarde
Olijf en druiven voedt!
Wat lispelt door uw dreven?
Wat roert de ziel zoo zacht,
En doet haar hooger zweven,
Daar schimmen haar omgeven
Van 't roemrijk voorgeslacht?
Wat fluistert door de blâren,
Die welven langs den grond.
En in een krans zich scharen
Om 't puin der hoofdpilaren,
Waar eens een tempel stond?
Hoor (heel de schepping luistert)
Hier gaat de windharp slaan!
Het oord, waarin zij fluistert,
Dat ze aan haar tonen kluistert,
Grijpt de eigen trilling aan:
Hetzij ze in d' aanhef suize,
Als 't koeltje zacht haar streelt;
Hetzij ze driftig ruische,
En stout een wildzang bruise,
Door d' avondwind bespeeld:
Ik hoor haar in uw dalen,
Het zachtst, Parthénopé!
Maar d'eigen klank herhalen,
Waar wild uw heuvels dwalen,
Als de aarde 't spel wil malen
Van de opgestoken zee!