IV.
‘Spreek Moeder! spreek, wat zal ik kiezen? 'k Wil 't schitt'rend voordeel van den dag, Waarop ik alles vragen mag, Voor u, zoomin als mij, verliezen!’ - Zóó sprak de maagd met blijden lach, Terwijl zij, aan haar moeders schoot
Geknield, haar diep in de oogen zag, En van 't gelaat, nu gloeiend rood, Dán van vermoeidheid doodlijk bleek, Het paarlend zweet onrustig streek, En 't hoofdje, op moeders knie geleund, Met beî haar sneeuwwitte armen steunt.
En nu Herodias? - zij ziet Verstrooid in 't rond en antwoordt niet; Als scheen zij nauw die vraag te hooren, Zóó blijft ze in diep gepeins verloren. Zij zwijgt en staart, en huivert licht, Als trad haar in een nachtgezicht Opeens een aaklig beeld te voren, Maar plooit den mond weer tot een lach, Alsof ze een zoeter droombeeld zag. Een straal van vreugd glijdt langs haar wezen; Zij ziet haar dochter aan, en 't was, Of met dien blik Herodias Eerst in de ziel haars kinds wou lezen, Of zij kon voortgaan zonder vreezen. Toen sprak zij fluistrend zacht en snel: ‘Wat gij moet kiezen weet ik wel.... Keer naar de zaal terug, Salome! Vraag wat de Koning heeft beloofd! Eisch, dat het bloed des Doopers stroome, En dat zijn afgehouwen hoofd Hier aanstonds als een dischgerecht Zij op een schotel neergelegd!’ -
Herodias! sprak zóó uw mond? Liet ge aan uw fijngevormde lippen Dat woord, dat ijslijk woord ontglippen, Dat hier voor 't oog geboekstaafd stond? Kon zóó een vrouw, een moeder, spreken, En bleef de heesche stem niet steken, Is niet de tong van schrik bezweken, Bij 't uiten van dien gruwelvond? - Een vrouw, die koel haar kans berekent Tot d'overlang beraamden moord, Die, door haar wraakzucht aangespoord, Haar kind het pad ter helle teekent,
En langs dat pad haar voorwaarts stuwt: Die voor zichzelf niet schrikt en gruwt, Als zij den dolk, dien ze op gaat heffen, Om slechts te wisser 't doel te treffen, Haar dochter in de vingren duwt! Is in het teerst, aandoenlijk wezen, Dat de Almacht Gods tot aanzijn riep, 't Vloekwaardigst denkbeeld opgerezen, Dat ooit een menschlijk brein zich schiep!?.... En 't gruwzaamst feit, waarvan wij lezen, Daarom al de eeuwen door bewaard, Opdat wij, met te heilger vreezen, Zien, hoe de zonde zonde baart, Die 't zachtgevoelend vrouwlijk wezen Verandert in hyenen-aard!? - Salome.... en gij, zóó jong van jaren, Gij, in aanvalligheden rijk, Gij, de opgebarsten bloem gelijk, Die pronkziek 't hoofd steekt uit de blâren... Gij rildet niet voor moeders blik!? Gij stondt niet, half versteend van schrik En wezenloos, haar aan te staren!? Gij sprongt niet, als een hinde vlug, Wie onverwacht van 's jagers hand Een pijl vlijmt door het ingewand, Wild van uw moeders schoot terug!? Gij kondt juweel of halssieraad, Of 't nieuw Fenicisch pronkgewaad, Of diadeem of boezemketen, Of wat u meer als grillig loon Was door Herodes aangeboôn, Ook 't halve vorstendom vergeten!? - Salome, nog zóó jong, zóó schoon, Laadt gij die bloedschuld op 't geweten? - Ach, 't vroeg reeds uitgeworpen zaad Van zóó veel boosheid, zóó veel zonden, Heeft hier, waar 't snel ontkiemen gaat, Een vruchtbren akkergrond gevonden! De dochter draagt haar moeders beeld; De welp is der hyene waardig, En niet verbasterd van haar teelt. Zij gaat, tot bloedvergieten vaardig;
Zij toont, hoe ze, aan haar speen gevoed, De melk, die druppelde uit haar bloed, In borst en aadren heeft gezogen, Nu ze, op haar wenk teruggevlogen, Weer hupp'lend naar de feestzaal spoedt, En dáár, door 't gruwzaam woord te spreken: ‘Ik eisch des Doopers hoofd en bloed!’ Herodes sidd'ren en verbleeken En 't vreugdgeklank verstommen doet.
Cookies on Poetry Cove