II.
In de lente.
Melodie Ev. Gez. 2.
Wat zijt Gij groot, wat zijt Gij goed! Zóó heffen we aan met blij gemoed. Mild zeegnend Opperwezen! Het feestkleed, dat weer 't aardrijk siert, De Schepping, die haar hoogtijd viert, Looft U, den Nooitvolprezen! Het groen, ontsprongen aan zijn knop, Hangt U ter eer zijn kransen op, En beemd en akkers bloeien; En zou dan 't hart, in U verheugd, U, die Uw schepping kroont met vreugd Niet dankend tegengloeien?
Wat zijn Uw giften veel en rijk! Welk Vader is aan U gelijk In zegenend erbarmen? Uw liefde is over allen groot; Gij stort Uw weldaân in den schoot Van rijken en van armen, Uw zonne, die Gij op laat gaan, Lacht dankbren en ondankbren aan; Gij strooit Uw lenterozen Ook op het pad van zondaars, Heer! En uit Uw wolk drupt zegen neer Op goeden en op boozen.
Het wintergraan, met zorg vergaârd, Zonk met een stille bede in de aard, Uw adem hield het wakker; En 't zaad is heerlijk opgegaan; Wij zien het langzaam rijzend graan
Reeds golven op den akker. Voleindig wat Uw hand begon! Schenk aan het zwellend ooft Uw zon, Aan 't dorstig land Uw regen! En over 't Evangeliezaad, Dat in ons hart ontkiemen gaat, Een milden Pinksterzegen!
Dies heffen we aan met blij gemoed: Wat zijt Gij groot, wat zijt Gij goed, En rijk in 't weldoen, Heere! Uw macht, die 't al tot aanzijn wenkt, Een nieuw gelaat aan 't aardrijk schenkt, Uw liefde en macht zij de eere! o Mocht de nieuwe levensgloed, Die de aard doordringt, ook ons gemoed Doorloutren en bezielen! Dan rijst voor U, d'Alzegenaar, Op iedre plek het dankaltaar, Waarbij we aanbiddend knielen!
Hoe zwak ons staamlend loflied zij, Reeds op deze aarde juichen wij: Hoe heerlijk zijn Uw werken! Gij roept het leven uit den dood! Uw liefde, in Christus eindloos groot, Vindt niet in stof haar perken! Eens komt Uw eeuwge Lentedag, Veel schooner dan ons oog hier zag, In zaalger stand en orden; En 't Scheppingslied wordt Hemeltoon, Als 't machtwoord uitgaat van Uw troon, Dat alles nieuw doet worden!
Cookies on Poetry Cove