IV.
Zie, 't zilverblauw Aan 's hemels tin Wordt vaal en grauw; De zon krimpt nog haar hoornen in Van 't zwart der maanschijf overtogen; 't Is of een adelaar, haar in 't gelaat gevlogen, Zijn reuzenslagwiek houdt ontplooid, En over de aarde en zee een donkre schaduw strooit. Hij dreigt den vuurgen ring, die schitt'ren bleef, te raken; 't Is morgenrood noch avondgloed, Wat nu, met flauwen glans, de gevels scheemren doet, Maar koud en trillend licht, dat rondzwemt langs de daken, En als uw blik de zon ontmoet, Is 't, of een stervende, de lijkkleur op de kaken, Met brekend oog u groet.
Ziedaar ons beeld! Op 't zonnigst pad van 't leven, Ook als het oog geen wolkjen aan zag zweven, Valt soms een schaduw, breed en zwart; Een lijkgewaad ontrolt zijn slippen langs de dreven, En rouw en droefheid daalt in 't hart.
Uw levenszon moge op den middag flonkren, Eer de avond valt kan ze onverwacht verdonkren; De lach der vreugd, der glorie stralenkrans, Elk aardsch geluk, snel wiss'lend in zijn glans - Ach! al te ras kan 't al zijn luister derven, Gelijk ons oog die zonne zag besterven Aan 's hemels trans.
Maar Gij, die u met vlammend licht Omgordt als met een kleed; Die met een span de heemlen meet, En voor die zon een tente sticht Uit doek van 't hemelblauw; Die zonnen uitstrooit langs de heemlen, Ontelbaar als er paarlen weemlen
In 't net van d'uchtenddauw! Gij, aller lichten bron, Gij zijt der zonnen Zon! Een zon, die onbeweeglijk staat, Die nimmer op- of ondergaat; Bij U is standsverwisseling, Terugkeer noch verduistering, En moog', terwijl de dag gebiedt, Een nachtfloers op de schepping dalen: Gij houdt den vuurkrans Uwer stralen: Gij, eeuwge Zon, verdonkert niet!
Cookies on Poetry Cove