Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

I.

Neen! 't is het blosje niet der jeugd, Wat ge op dat lief gelaat ziet gloeien, Dat twalef zomers stond te bloeien, Het ouderhart tot weelde en vreugd. 't Is niet het rijzen van den boezem, Die lieflijk zwelt bij elken zucht, Als 't eerst de maagdelijke bloesem Zal rijpen gaan tot voller vrucht;

't Is koortsgloed, vlammende op de kaken, Die vuur giet door het ingewand, Die op het kloppend voorhoofd brandt, Het overspreidend met scharlaken. 't Is 't hijgen der benauwde borst, Als de adem uit geschroeide longen (Daar 't dor gehemelt' smakt van dorst), Wordt naar den gorgel voortgedrongen.

Dáár ligt zij neer, Jaïrus' spruit, Zij, de eengeboorne uit zijn lenden, Wier dood zijn heil op aard zal enden, Wier graf haar moeder 't graf ontsluit. Dáár ligt zij met gebroken oogen, Terwijl de hand nog woelt en tast; En om de lippen, flauw bewogen, Zet zich de doodstrek pijnlijk vast.

De moeder slaat aan 't raadloos kermen, En breidt haar armen over 't wicht, Als wilde zij 't nog voor den schicht Des doods met eigen borst beschermen. De vader ziet met starren blik, Hoe 't rood des aanschijns gaat verblauwen; Voelt de opgekrompen pols verflauwen, En slaat een jammerkreet van schrik.

Één lichtstraal slechts, één lichtstraal blonk er: ‘De Heilprofeet, de Redder naakt, Die blindgeboornen ziende maakt En kranken heelt!’ Die blijmaar klonk er, Vlieg, vlieg, Jaïrus, om den Heer, Den Man der wondren Gods te ontmoeten! - Dáár stort hij sidd'rend aan Zijn voeten En snikt: ‘Geef mij mijn liev'ling weer!

Ai, volg me en treed mijn woning binnen! Dáár ligt mijn kind doodskrank, benauwd, Met drupp'lend stervenszweet bedauwd, Zij, die we als 't zwart van 't oog beminnen! Licht ben ik reeds geen vader meer, Maar als Uw hand haar aan zal raken, Zal zij ten leven weer ontwaken.... Ai, red ons, Gij vermoogt het, Heer!’

Te laat, te laat om hulp gevloden! Gij redt uw dochter niet van 't graf, Gij hebt geen kind, dan bij de dooden....! De luitsnaar sprong, de bloem brak af. ‘Moog' uwer zich de Heer erbarmen, Jaïrus! Uw beminde spruit Blies reeds den laatsten adem uit, En gaf den geest in moeders armen!’

Dat hoort de vader, en dit woord, Ach, 't vult voor hem den kelk der smarte, Nu 't zwaard, dat neerhing aan de koord, Hem snijdend gaat door 't vaderharte. Naar Jezus wendt hij de oogen heen, En Jezus zalft met troost zijn wonde,

En slaat een kalmen blik in 't ronde, En spreekt: Vrees niet, geloof alleen!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove