V.
Gij zon slaat breeder hoornen uit; Zij vlamt ons toe uit wijder ring, Gelijk een bloem, die openging, Haar blaadrenkrans ontsluit;
Ras drijft zij langs 't azuren veld, Met haar herwonnen kroon helschitt'rend als te voren; Van vreugde blinkend als een held, Die met omlauwerd hoofd ons zijn triomf vertelt! - Gegroet, gegroet, o zon, tot volle pracht herboren! Gij hebt, schoon voor ons oog bedekt, Geen lichtvonk van uw gloed verloren! Gij bleeft dezelfde zon, die, waar ge uw blik laat gloren, Steeds vreugde en leven wekt!
Behield die zon - al zwijmde in neev'lig duister Haar licht voor 't oog - haar ingeschapen luister, En nam zij ras haar kroon van stralen weer: Wat klage ik dan, als 't nacht wordt om mij henen, Als ware Uw licht door 't wolkenfloers verdwenen. Dat Uw gelaat voor mij bedekt, o Heer!
Kon 't zwart gordijn die zon geen vonk ontrooven. Wat zou dan ooit U, Eeuwge Zon! verdooven, Al gaat de glans dier heemlen ook voorbij? - Ach, scheen het soms, bij 't uitzien naar den morgen, Als hieldt ge een poos Uw vriendlijk oog verborgen. Hef ras weer 't licht Uws aanschijns over mij!
Wordt eens de zon, bij wolkloos straalgeflonker, Voor 't scheemrend oog, op vollen middag, donker, Als in mijn oog de laatste vonk verschiet: Welzalig, die in 't uur des doods vertrouwen! Geef in Uw licht ons dan het licht te aanschouwen! Wijk met Uw zon van 't donkre doodspad niet!
Zal 't eeuwig licht zijn in der zaalgen woning; Hebt Gij een veld vol zonnen tot hun kroning: Nooit weene ik dan, waar 't graf zijn prooi ontving, Alsof wij niets van onze ontslaapnen wisten - Wat is het sterven voor den Christen, Dan Zonsverduistering?
Cookies on Poetry Cove