II.
De afscheidsrede.
(Joh. XIV.)
‘Uw harte worde niet ontroerd! Laat niet zóó sterk de scheidenssmart u prangen! Mijns Vaders huis, waarheen die scheiding voert, Is groot en ruim, om allen saam te ontvangen, Die, trouw als gij, mij hebben aangehangen: Uw harte worde niet ontroerd!
Mijn Vader is de Koning aller koningen; Zijn hofpaleis omvat ontelbre woningen, Voor u, voor heel mijn broedrenschaar.
(Hoe zoude ik, in dit uur van scheiden, U met een valsche hoop misleiden?) Ik ga, als vriend, mijn vrienden plaats bereiden, 'k Reis u vooruit en wacht u dáár.
En is die plaats gereed om u te ontvangen; Voldaan wordt dan uw vurigst zielsverlangen: Dan roep ik u, dan kom ik weer! Ik zelf zal dan u juichend welkom groeten In 's Vaders huis, en - na dit weerontmoeten Dan leeft gij eeuwig bij uw Heer! Dan volgt geen scheiding meer!
Gij kent nu 't oord waar 'k heenga, mijn getrouwen! Gij kent den weg, die voert tot zulk aanschouwen! Hoe bitter dan de scheiding zij - Laat niet haar smart zóó sterk uw boezem prangen! Wischt af die tranen van uw wangen - Gelooft in God! gelooft in mij!’
Balsemgietend als de regen, Die met lieflijk stroomgeluid Neerzinkt op het smachtend kruid, Kwam dit woord in 't hart gezegen Van de trouwe jongrenschaar, Schoon zij nog van droefheid zwegen: Ach, wat valt het Thomas zwaar Ook zijn tranen weg te dringen, Eer ze aan 't brandend oog ontspringen. Treurig peinzend zit hij dáár, En de zucht gaat hem ontglippen, Maar besterft weer op zijn lippen: ‘Hemel! was dit uitzicht waar!’ Diep zwaarmoedig blijft hij staren; Eensklaps slaat hij 't oog naar Hem, Die van zooveel zielsbezwaren Slechts de wolken op kan klaren, En van droefheid beeft zijn stem: ‘Heer? wat troost Gij moogt verleenen! Is 't beslist en gaat Gij henen: Ach! het blijft dan ook gewis,
Dat we ontroostbaar moeten weenen Om uw nooit vergoed gemis! Strale 't oord van hemelluister, Dat U toewenkt in 't verschiet - 't Blijft voor ons gehuld in 't duister: Waar gij heengaat weet ik niet! Zijt Ge van ons weggenomen - Hoe tot U, tot U te komen, Zonder 't steunsel van uw hand, Aan dat onbekende strand? - Hoe tot U, tot U te komen, Zonder gids op 's levens stroomen, Dwars door golf en stormgebruis? Hoe voor ons, die U beminden, Zonder U den weg te vinden Naar dat vaderlijke huis?’
Cookies on Poetry Cove