I.
Wáárom staat Natuur te kwijnen, Met een halfverstorven lach, Lieve, op uw geboortedag? Wáárom schuift ze wolkgordijnen Als een sluier zwart en dicht Thans de zon voor 't aangezicht? Wáárom spelt ze bui en vlagen In een bleek en waatrig licht? Wáárom doet zij 't stroomnat jagen.
Dat zijn ketens los gaat knagen, Om ze kruiend weg te dragen? Wáárom kiest ze in blijder pracht Niet den tooi der lentedagen Voor haar vale kleederdracht; Dat ze op 't jaarfeest van Elvire Ook verheugd zich 't voorhoofd siere. En, gedost in feestlivrei, Hoogtijd viere en juich' met mij?
Maar hoe traag uit de uchtendneev'len 't Flauwend zonlicht op moog' heev'len. Dat te zwijmen dreigt in 't Oost: Blijder kon geen morgen dagen, Schoon zijn flonkerende wagen Ware op wolken voortgedragen, Waar robijn en tulp op bloost; Blijder kon geen feestdag klimmen - Schoon de zon bij 't eerst ontglimmen, Langs de gloeiende oosterkimmen Spranklend goud had uitgestort - Dan die thans herboren wordt, Nu ge, aan 't doodsgevaar onttogen. Mij in de armen komt gevlogen; Nu 'k, op uw geboortedag, In den aanblik van uwe oogen 't Oog vol weelde weiden mag, Waar de teerste liefde in hemelt, En mijn spieglend beeld in wemelt; Nu 'k, aan uw gelaat geboeid, Van de vreugd, die 't hart ontgloeit, Op uw lippen 't zegel prentte: O, nu wordt de Winter Lente, En geheel de schepping bloeit!
Nachtegaal! verteedrend zanger, Die de bloemen openfluit, Als uw zilv'ren stemgeluid Orgelt over loof en kruid! Keer terug en toef niet langer Met een zoeler lucht in 't Zuid'; Wáárom hebt ge in bosch en dreven
Niet een wiegezang geheven, Toen Elvire trad in 't leven, - Gij, die elke roos begroet Die haar blaadren opendoet? Keer thans; zing in woud en akker (Lang zijn wij den winter moe) Weer de kiem des levens wakker En Elvire 't feestlied toe!
Maar schoon 't lied der nachtegalen Niet door tak of heester dringt, Noch de stem der boschkoralen 't Lied van uw herstelling zingt; Lieve! zou mijn zangtoon falen, Nu geheel de schepping zwijgt, En niet God den dank betalen Die aan 't kloppend hart ontstijgt? - Neen! al had ik 't laatst gezongen; Schoon de snaren van mijn lier Barstend door elkander sprongen; 'k Had, door zaalge vreugd gedrongen, Thans haar nog één toon ontwrongen, En haar naklank galmde hier!
Cookies on Poetry Cove