Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

III.

Hanna's lofzang.

Wat zoekt die schuchtre vrouw, den voorhof ingetreden, Die aan haar hand haar eerstling leidt? Een jongske op wiens gelaat, vol zoete aanminnigheden, De blos der onschuld ligt verspreid;

Dat, hupp'lend, met een lam, dat blatend volgt, wil spelen, En 't handje ver houdt uitgestrekt, Om 't ruigbehaarde hoofd van 't offerdier te streelen, Dat de outerknaap naar 't altaar trekt. -

De moeder haast zich om den Priester Gods te ontmoeten, En als zij op den drempel staat, Waar Eli 't wachtend volk met zeegning komt begroeten In zijn hoogpriesterlijk gewaad; Dáár treedt zij voorwaarts - en zinkt dankend aan zijn voeten, Met hemelblijdschap op 't gelaat.

Zij heft het knaapjen op; - 't ziet vragend om zich henen, Met twijfling in zijn blik, of 't lachen zal of weenen? Maar 't oog blijft staren op den gloed, Die flonkrend afstraalt van de in 't goud gezette steenen, Die 't op des Priesters borst ontmoet. ‘Och Heer!’ dus barst zij uit, ‘ik ben, ik ben die vrouwe, (Zoo waar uw ziele leeft!) die, smeltende in haar rouwe, Hier bad en troost zocht voor 't haar foltrend zielsgekwel. God bad ik om een zoon, God heeft me een zoon gegeven: Dit kind, dat ik, verrukt, op de armen houd geheven, - Zijn naam is Samuël!

'k Deed een gelofte, vóór dit kind mij was geboren, Hem van zijn vroegste jeugd te wijden aan den Heer; Ik leg hem thans voor 't altaar neer; Van God gebeden zoon, gij zult aan God behooren! Wat kan een dankbre moeder meer?’ De Priester zegent haar en 't schuldloos wicht te gader; Hij noemt dat kind zijn zoon, en 't jongske noemt hem vader; En als, van heilgen dank bezield, Nu Hanna voor het outer knielt, Is 't, of een hooger geest, de geest der profecije, Der Godgewijde poëzije, Die staag dit heiligdom omzweeft, Om de offers tot Gods troon te dragen, Ook om haar biddend hoofd zijn vleuglen uitgeslagen, En in zijn hemelvlucht haar meegedragen heeft. 't Is of 't geheiligd vuur, dat op den altaar blaakte, Haar lippen met zijn koolgloed raakte, En Silo's tente, die weleer

Haar droeve klacht heeft opgevangen, Hoort thans van 't hupp'lend hart, dat uitstroomt in gezangen, Den blijden Psalm des lofs, die opklimt tot den Heer:

‘Mijn hart is verblijd en springt op in den Heere! Mijn hoorn is verhoogd door mijn God! Ik open vrijmoedig den mond tot Zijn eere, Niet langer mijn vijand ten spot. Geen Heilge als Jehova! geen rots als de Heere! Geen Helper gelijk onze God!

Waag niet te veel, in hoog, in hoog te spreken! Geen grootspraak ga te dwaas uit uwen mond! God zou gestreng dien strafbren hoogmoed wreken, Als Hij aan de aard Zijn heilig recht verkondt.

Der sterken boog wordt door Zijn vuist verbroken; Die struikelden omgordt Zijn arm met moed. De weeldrige ziet zich van brood verstoken; Die hongerde heeft brood in overvloed.

De onvruchtbre gâ ziet weer haar echtkoets bloeien: Tot zevenmaal is 't dat zij moeder wordt: Die 't welig kroost zag aan haar zijde groeien, Is als een bloem die wegkwijnt en verdort. -

De Heer is 't, die doodt en terugroept in 't leven! De Heer is 't, die arm maakt en rijk! Die mij, de verachte, uit het stof heeft verheven, Die needrigen opricht uit 't slijk, Om hun naast de Vorsten hun zetel te geven, Zijn gunst en Zijn goedheid ten blijk! -

Hij kan alleen verneedren en verhoogen, Die leeft en heerscht als Vorst van 't wereldrond; Want Zijns is de aarde, en door Zijn Alvermogen Is 't aardrijk op zijn zuilen vast gegrond.

Hij leidt den voet van Zijne gunstelingen, Bewaakt hun tred, hun gangen zijn gewis; Maar wie Hem snood den schepter wil ontwringen, Wordt uitgedelgd in zwarte duisternis.

‘Geen sterkte baat tot redding uit gevaren, Van Hem alleen dan hulp en troost gewacht! Tot Hem dan 't oog gericht bij zielsbezwaren! Nooit trotsch gesteund op eigen heldenkracht! -

Wie trotsch met hem twisten - God zal ze verpletten! Hij dondert op hen van Zijn troon! De Heer geve als Rechter aan de aarde Zijn wetten, Aan de einden der aard Zijn geboôn! En, als Hij een vorst op den rijkstroon zal zetten, Eens luister en macht aan zijn kroon!’

‘En gij, mijn kind!’ (hier hield zij 't oog, Dat in verrukking staarde omhoog, Op 't jongsken aan haar kniên, op Samuël, geslagen) ‘Gij zult als Priester en Profeet, Met 's Heeren oppermacht, bij Isrel's volk, bekleed, De kruik der heilge zalving dragen, En de olie, die Gods gunst belooft, Doen drupp'len op het vorstenhoofd!’

Zij buigt zich tot het jongske neer; De Profetesse zingt niet meer, Al blijft een hooger gloed nog op haar wangen gloren. Het is geheel de moeder weer, Die in de omarming van haar liev'ling blijft verloren. Toch slaakt zij nog één vreugdetoon, Maar die haar zielsgevoel, in vollen galm, laat hooren: ‘En ik ben moeder van dien zoon!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove