Voorzang.
Bl. 105. Waar zijt ge? o uitgebloeid verleden! Waar vloodt ge, o gulden voortijd, heen? -
Wanneer ik de eerste eeuwen des Christendoms den gulden voortijd noeme, wil ik niet geacht worden, alles voor goud van het edelste gehalte te houden, wat toen heeft geblonken. Veel meer ben ik overtuigd, dat wij den oorsprong van enkele dwalingen, die de treurige verbastering des Christendoms, in latere tijden, hebben in de hand gewerkt, niet te vroeg in de geschiedenis kunnen zoeken. Maar ofschoon ik het daarom geenszins wage, als de onbepaalde Lofredenaar dier eerste eeuwen op te treden, zoo ligt het toch, dunkt mij, in den aard der zaak, dat wij den stroom het dichtst bij zijn oorsprong het zuiverst zullen vinden. Wanneer toch kon het Christelijk geloof meer zijn heiligenden invloed op hart en zeden bewijzen, dieper in het menschelijke leven ingrijpen, hooger geestdrift voor de zaak van den godsdienst doen ontwaken, dan toen dit geloof nog niet eene erfenis der Vaderen was geworden, maar uit eigen vrijwillige overtuiging werd omhelsd en beleden; toen de groote gebeurtenissen nog versch in het geheugen lagen, waardoor de eerste vestiging des Christendoms was verheerlijkt geworden: toen men nog dezulken kon ontmoeten, wier oogen den Verlosser der wereld op aarde hadden aanschouwd, of op wier hoofd Zijne Apostelen zegenend de handen hadden gelegd? Den beoefenaar der geschiedenis en der godgeleerde wetenschap blijve het dan aanbevolen, ook hier het kaf van het graan te ziften - den Dichter voorzeker zal het blijven vrijstaan, de Apostolische eeuw bij voorkeur de gulden eeuw des Christendoms te noemen.
Cookies on Poetry Cove