Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

De zwaarmoedige. I.

De opgang naar Jeruzalem.

(Joh. XI.)

Hoe Maria weende en bad, Toen zij wakend aan de sponde Van den kranken broeder zat; Hoe ook Martha ieder stonde Angstig uit haar woning trad, En onrustig staarde in 't ronde - Vruchtloos werd de Heer gewacht! Hoe het zusterpaar bleef bidden: ‘Heer! kom haastig in ons midden!’ 't Scheen of beider bede en klacht Geen verhooring had verworven. - Lazarus was toch gestorven! - Maar aan de oevers der Jordaan Spreekt de Heer Zijn jongren aan:

‘Hij slaapt, die mij, dien ik beminde, Ons aller vriend; wij gaan tot hem; Wij keeren naar Jeruzalem, Waar ik zijn droeve zustren vinde, En 'k roep hem wakker door mijn stem. Wat aarz'ling spreekt er uit uw trekken? Hij stierf - maar om weer op te staan: Ik ga den diepen slaper wekken.... Komt, laat ons naar Judéa gaan!’

Van vreeze ontroerd, van schrik verbleekend, Riep, diepverslagen, Thomas toen, Tot Petrus en Johannes sprekend: ‘Wat wil, wat gaat de Meester doen? Thans naar Jeruzalem vertrekken, Zijn vriend weer uit den doodsslaap wekken, Maar zelf den dood in de armen spoên? Hij heeft, in heilgen toorn ontstoken, Zijn driewerf “wee!” dáár uitgesproken, En 't Sanhedrin wil zijn gewroken En vraagt en wacht Zijn bloed ten zoen. 't Heeft reeds de steenen opgebroken, Of werpt - treedt Hij den tempel in - Hem neder van zijn hoogste tin. Ach, 'k zie Hem overdekt met wonden, Vermorzeld onder gruis en steen, Onkenbaar door ons weergevonden! - Wacht hier een andere uitkomst? - Neen! Maar, moet Hij dit tot loon verwerven, En keert Hij naar de Tempelstad: Wij, die Hem volgden, waar Hij trad, Wij willen mede 't leven derven: Komt, laat ons met Hem gaan en sterven! Wie heeft, als Hij, ons liefgehad?’

II.

De afscheidsrede.

(Joh. XIV.)

‘Uw harte worde niet ontroerd! Laat niet zóó sterk de scheidenssmart u prangen! Mijns Vaders huis, waarheen die scheiding voert, Is groot en ruim, om allen saam te ontvangen, Die, trouw als gij, mij hebben aangehangen: Uw harte worde niet ontroerd!

Mijn Vader is de Koning aller koningen; Zijn hofpaleis omvat ontelbre woningen, Voor u, voor heel mijn broedrenschaar.

(Hoe zoude ik, in dit uur van scheiden, U met een valsche hoop misleiden?) Ik ga, als vriend, mijn vrienden plaats bereiden, 'k Reis u vooruit en wacht u dáár.

En is die plaats gereed om u te ontvangen; Voldaan wordt dan uw vurigst zielsverlangen: Dan roep ik u, dan kom ik weer! Ik zelf zal dan u juichend welkom groeten In 's Vaders huis, en - na dit weerontmoeten Dan leeft gij eeuwig bij uw Heer! Dan volgt geen scheiding meer!

Gij kent nu 't oord waar 'k heenga, mijn getrouwen! Gij kent den weg, die voert tot zulk aanschouwen! Hoe bitter dan de scheiding zij - Laat niet haar smart zóó sterk uw boezem prangen! Wischt af die tranen van uw wangen - Gelooft in God! gelooft in mij!’

Balsemgietend als de regen, Die met lieflijk stroomgeluid Neerzinkt op het smachtend kruid, Kwam dit woord in 't hart gezegen Van de trouwe jongrenschaar, Schoon zij nog van droefheid zwegen: Ach, wat valt het Thomas zwaar Ook zijn tranen weg te dringen, Eer ze aan 't brandend oog ontspringen. Treurig peinzend zit hij dáár, En de zucht gaat hem ontglippen, Maar besterft weer op zijn lippen: ‘Hemel! was dit uitzicht waar!’ Diep zwaarmoedig blijft hij staren; Eensklaps slaat hij 't oog naar Hem, Die van zooveel zielsbezwaren Slechts de wolken op kan klaren, En van droefheid beeft zijn stem: ‘Heer? wat troost Gij moogt verleenen! Is 't beslist en gaat Gij henen: Ach! het blijft dan ook gewis,

Dat we ontroostbaar moeten weenen Om uw nooit vergoed gemis! Strale 't oord van hemelluister, Dat U toewenkt in 't verschiet - 't Blijft voor ons gehuld in 't duister: Waar gij heengaat weet ik niet! Zijt Ge van ons weggenomen - Hoe tot U, tot U te komen, Zonder 't steunsel van uw hand, Aan dat onbekende strand? - Hoe tot U, tot U te komen, Zonder gids op 's levens stroomen, Dwars door golf en stormgebruis? Hoe voor ons, die U beminden, Zonder U den weg te vinden Naar dat vaderlijke huis?’

III.

Thomas op golgotha.

Nog hield het tastbaar duister aan, Dat, als een mantelfloers, zich langs den hemel strekte, Dat, als een donderwolk, der Scheedlen heuvel dekte, En 't voorgevoel van 't wee bij 't schuldig volk verwekte, Welks mond den vloekkreet op deed gaan.

In 't eind - daar gaat het licht weer langs de heemlen stroomen; De neevlensluier scheurt. en, daaruit opgekomen, Treên ook de kruisen weer nabij; En langs Kalvaarje wordt de bange klacht vernomen: ‘Mijn God! Mijn God! waarom verlaat Ge mij?’

Die klacht, waarop met daavrend beven, De grond, waar 't kruis stond ingeplant, En heel het krimpende ingewand Der zuchtende aard zou antwoord geven - Die klacht wordt ook gehoord door hem, Die, met de handen saam voor de oogen, Ginds weenend ligt ter aard gebogen,

Maar sidd'rend opspringt bij die stem. 't Is Thomas - van de groep der vrouwen En jongren meer ter zij getreên - Die, met zijn zielesmart alleen, Hier 't vreeslijk einde wil aanschouwen Van 't geen de Heemlen heeft doen rouwen, En als een bange droom hem scheen.

‘Verlaten? Hij van God verlaten? Welk een triumf voor wie Hem haten!’ Zóó zucht hij, bij dat laatste woord, Vol schrik en weedom aangehoord. Nog wacht hij, of zijne oogen 't zagen, Hoe de uitverkoren liev'ling Gods, Der spott'ren vloekgeschreeuw ten trots, Door de Englen werd van 't kruis gedragen. Vergeefs! Nog eenmaal galmt die stem, En Thomas richt weer 't oog op Hem - Maar ziet het zinkend hoofd gebogen, En 't bleek en afgepijnd gelaat, Van blauwe doodskleur overtogen! - Geen zenuw trilt - geen adem gaat - 't Wordt alles nacht voor Thomas' oogen! Hij voelt nauw, dat het aardrijk beeft; 't Is hem of heel de schepping sneeft; Of weer de zon haar licht gaat derven, Nu zijne ziel - met Jezus' sterven - Haar licht, haar zon verloren heeft!

Nog lang aan de eigen plek gebonden, 't Gelaat van 't opperkleed omwonden, Bukt hij dáár smartlijk zwijgend neer; Dáár rijst hij uit zijn mijmring weer: ‘Voor mij geen troost of leedverzachting! Zóó snikt hij met gesmoorde stem - 't Is uit met Israëls verwachting! Mijn laatste hope stierf met Hem!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove