II.
Zalig zijn zij, die niet gezien en nochtans zullen geloofd hebben.
(Joh. XX:20.)
Ja zalig, wie niet ziet en nochtans blijft gelooven!
U wacht op aard te zwaarder strijd,
Maar ook te schooner kroon, te zaalger vreugd hierboven,
Zoo ge overwinnaars zijt.
Al mocht gij, diepgeroerd, niet knielen aan de voeten
Van hem, die overwonnen heeft,
Toch blijft 't geloofsoog Hem als levensvorst begroeten,
Die leeft en 't leven geeft.
Volhardt tot in den dood, gij aan den Heer getrouwen!
Betreedt met moed den weg naar 't graf!
Gij wandelt door 't geloof naar 't land van blij aanschouwen,
Dáár valt de blinddoek af.
Blikt op, zwaarmoedigen! wat wordt de smart der aarde?
Wat wordt haar doornenkroon, haar kruis,
Voor wie, ook zonder zien, geloovig opwaarts staarde
Naar 't Vaderlijke huis?
In 't Vaderlijke huis, waar reeds uw zaalgen wonen
En uw Verlosser hulde biên,
Is ook uw plaats bereid, zal ook zijn hand u kronen,
Zal ook uw oog Hem zien?
Vreest niet, gelooft alleen! Wat treurt gij diepverslagen,
Zoo slechts die kroon u sieren mag?
Die kroon, door Hem beloofd, kon geen Apostel dragen,
Die Hem op aarde zag.
Heer, onzer zij die kroon! - Dat niets die kroon me ontroove!
Of - zoo die wensch te veel omvat -
Spreek eens tot ons: ‘Gij hebt gewankeld in 't geloove,
Maar toch mij liefgehad!’