VII.
Waarheen, waarheen, ontroerde zinnen, Waartoe dit zangrig oord ontvlucht, Wat laat ge een schriktooneel er binnen Uit doodscher streek, uit hooger lucht? Kweelde ooit Natuur hier zuivre akkoorden, Lei ze ooit aan uw geschroeide boorden, Vesuvius! het lijkkleed af? Of zou haar speeltuig bij haar sterven, Nog voller klank en kracht verwerven, Gelijk de dichter bij zijn graf?
Barst uit dan, doe uw krater branden! En breek' de stroom, met maatgeluid Reeds raatlend in uwe ingewanden, Zijn sluizen en fonteinen uit! - Jaag uit de zwartgeblaakte kolken, Tot aan de roodgevlamde wolken, Uw golven voort van bruisend vuur! Doe hun geloei door 't luchtruim dondren, Maar laat ons d'aanblik van uw wondren, En luistren wat gij speelt, Natuur!
Heft gij het schriklijk lied nog langer, Dat ge opzondt bij Pompeji's val? - Neen, de aard ging van een Hymnus zwanger, Die losbarst met bazuingeschal! Zóó klonk, in stout verheven galmen, Bij offervlam en wierookwalmen, Bij paukgeluid en rinkelbom; - Zóó klonk, bij 't schaatren der cimbalen Door Salem's weidsche tempelzalen, De Psalm van 't Oost in 't Heiligdom.
Natuur heeft ook haar taal vol van bezielde woorden, En spreekt door mengeling van klanken tot de ziel; Ze omvat het vol geluid van stoute en zachte akkoorden, En Eden was de toon, die 't zuiverst haar ontviel;
En 't hoogst is haar gezang gestegen, Toen 't eerst, aanbiddend neergezegen, De mensch haar Schepper eerde, en haar muziek een stem Verkreeg, om 's Eeuwgen lof te galmen; Toen smolt heel de aard in Psalmen En lofmuziek voor Hem!
Cookies on Poetry Cove