III.
De verheerlijkte. Ziet! van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.
Thans aangeland aan de eeuwig blijde kusten, Viert gij omhoog met al de zaalgen feest: Uw sterven is uw hemelvaart geweest! Wat zegt het dan, dat hier uw stof bleef rusten? Daar toch uw ziel haar Hemelsch kleed ontving, Daar de Englen toch, die aan uw sterfbed wachtten, Met slaande wiek U juichend overbrachten, Bij uw verheerlijking.
Dáár vaart gij op, met hen in 't licht gestegen, Tot waar het hoogst, het zuiverst ‘Hallel’ klinkt; Tot waar de kroon der overwinning blinkt; En snelt ge uw Zoon vol hemelblijdschap tegen! Gij bleeft ook dáár Hem dierbaar als op aard; En de Englen gaan, met versche palmen-meien, Tot aan Zijn troon voor U het voetpad spreien, Die hier Zijn Moeder waart!
Ras zal men U van de aarde dáár begroeten Als Rijksvorstin, in 't hemelsblauwe kleed, Die 't Kind in d'arm, fier langs de starren treedt, Den kop der slang verplett'rend met uw voeten. Ras wordt uw naam van Hymnen overstort, Daar ge als de troost van al wie troost behoefden, Als midd'lares van zondaars en bedroefden, Gevierd, verheerlijkt wordt!
Maar kroont men U tot 's Hemels Koninginne, Gij, Needrige, gij vraagt die hulde niet! Het zaligst heil, dat ge U beschoren ziet, Is, dat de naam uws Zoons in glorie winne! En, schoon ge U zelf thans hoog verheerlijkt weet - Kon nog uw oog, Volzaalge! tranen plengen, Gij weendet, als gij U ziet offers brengen, Waarbij men Hem vergeet.
Licht slaat gij nog van uit uw hemelwoning Somtijds op de aard een blik vol weemoed neer, Als 't hoogst de Psalm des lofs klimt tot uw eer, Als 't schitt'rend feest gevierd wordt van uw kroning. Dan buigt ge U als verloste voor Zijn troon; Dan werpt ge uw kroon en palmtak voor Zijn voeten, Terwijl ge hem lofzingend gaat begroeten: ‘Mijn Redder en mijn Zoon!’
Als, bij de wieg van 't kindje neergebogen, Dat, als de duif, zijn kopje bergt in 't dons, Een moeder bidt: ‘Maria, bid voor ons!’ Dan hoort gij 't wel, verteederd en bewogen, Maar peinst gij licht: ‘Ai! richt uw zielsgebeên Tot Hem, die sprak: “Laat vrij de kindren komen!” Die zeegnend hen in de armen heeft genomen, - Hij zendt geen moeders heen!’
Toch zijt gij groot, toch blijft gij heilig te achten! Uw naam leeft voort, schoon aardsche glorie kwijnt, Totdat geen zon, totdat geen maan meer schijnt, Tot de asch verstuift der laatste nageslachten.
Met liefde en lof en eerbied in 't gemoed, Zal steeds ons oog uw lieflijk beeld aanschouwen. Gezegend blijft ge, o zaligste aller vrouwen! - Maria! wees gegroet!
Cookies on Poetry Cove