II.
't Gordijn der heemlen wordt geheven;
Het schaduwbeeld der nachtvorstin
Rukt reeds het gouden vuurveld in,
En breekt de stralenkroon, om 't hoofd der zon geweven.
Wij staren 't plechtig schouwspel aan:
De zon, gekromd als halve maan,
Waarover zilvren wolken zweven,
Zien wij met gouden hoornen staan.
't Is of weer Mekka's maan van 't hoogst der heemlen praalde,
En droeve schemering langs 't aardrijk werd verspreid,
Toen ze uw verbleekten glans in 't Oosten overstraalde,
O Zonne der Gerechtigheid!
Toch blijft gij 's werelds licht, dat, soms voor 't oog verscholen,
Ras weer zijn gloed herneemt, en nooit in nacht verdwijnt,
En eens tot 's aardrijks verste polen
Met onverdoofbren luister schijnt.