Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

V.

Herodias, gij wordt gewroken! 't Bevel des doods is reeds gesproken; 't Geschenk wordt uitbetaald in bloed; De storm, eerst heftig opgestoken In 's dwinglands fel bestreên gemoed - Als zag hij zijn verslaagne spoken, Eer 't bloed ging van de moordbijl rooken - Heeft snel en machtloos uitgewoed. Hem bindt zijn eed. Hij had met eeden Wel vroeger soms gespeeld, maar heden Is 't niet gewaagd dien te overtreden; Hij kan, hij durft niet rugwaarts gaan. Zou hij voor al zijn dischgenooten, Voor al zijn rijks- en legergrooten, Dáár als een kind of bloodaard staan, Die trouwloos met beloften speelde? - Niet dus zijne eer op 't spel gezet! Dàn liever nog 't festijn der weelde Besloten met een moordbanket!

Nauw heeft het doodlijk sein geklonken, Of 't vreeslijk lemmer heeft geblonken, En in den bloedstroom neergezonken, Ligt reeds het lijk onthalsd ter aard - Johannes is gedood door 't zwaard! En 't hoofd, pas van den romp gescheiden, - Als ging men voor Herodes' maal Het kostbaarst feestgerecht bereiden - Wordt opgedischt op zilvren schaal.

Een doffe kreet loopt door de zaal; De stoutste voelt zich 't hart versagen, Dat sterker bonst met sneller slagen, Nu hij dien schotel opgedragen En vóór Salome plaatsen ziet.

En sidderde ook Salome niet? - Ja! - tracht ze ook met verwarde zinnen Haar schrik en afkeer te overwinnen..., Haar adem, die zoo pijnlijk gaat, En 't golven van kaar kleed verraadt Hoe 't hart, dat hoorbaar schier gaat kloppen, Onstuimig in haar boezem slaat. Hoe beven haar de vingertoppen, Nu zij, met afgewend gelaat, 't Geschenk aanvaardt, dat voor haar staat! Zij walgt en gruwt het aan te staren.... Wat op dien zilvren schotel ligt. Hoe aaklig steekt dat bleek gezicht, Die doodskleur af bij 't zwart der haren! Wat staan die oogen strak en naar! Hoe schijnt in die verwrongen trekken Nog 't laatst gereuteld woord te ontdekken, Dat dreigend vloek spreekt tegen haar! Wat weegt dat hoofd, die schotel, zwaar! 't Is of zijn koude rand gaat branden, Nu zij dien opheft in haar handen. Wat huiv'ring rilt haar door de leên! Hoe loom' bij 't driftig voorwaarts treên, Zijn de anders snelgewiekte voeten, Nu zij, met voortgejaagde schreên, Zich haast haar moeder weer te ontmoeten!

‘Dáár, Moeder!’.... gilt zij snikkend uit, Met nauw herkenbaar stemgeluid, Bij 't vreeslijk hijgend boezemjagen - ‘Dáár, Moeder! neem dien schotel nu.... Niet mooglijk is 't dien lang te dragen.... Wat ik ontving behoort aan u. Gij wilde' 't zóó - hij is gestorven! Daar hebt gij, wat ik heb beloofd,

't Geschenk des bloeds door mij verworven.... Dáár, Moeder, hebt gij 't hoofd!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove