II.
Hanna's bede.
Den man zij op aarde de schepter verbleven; Der vrouw is de geest des gebeds meer gegeven, Tot steun in haar zwakheid, haar hoofd tot een krans. En daalt er, op 't bidden en 't needrig gelooven, Steeds Hemelsche troost en versterking van boven, Waar blijft dan de moed en de sterkte des mans?
De tente van Silo ligt zwijgend in 't donker, Maar 't goud van den kandlaar weerkaatst het geflonker Der luchters; en 't reukwerk, op 't altaar gebracht, Ontbindt zijne vlam in een tintling van kleuren, Omgolft de tapijten met wolken van geuren, En balsemt met streelende zoetheid den nacht.
Daar trad zij, - de droeve! met wanklende gangen; Zij wischt zich den traan, die er sluipt van haar wangen, En kiest zich een bidplaats; blikt schuw om zich heen, Welk oog haar bespiedt, of een oor haar beluistert? Buigt lager het hoofd op den boezem en fluistert, En heel hare ziel stort zich uit in gebeên.
Dáár bidt zij - de knie voor Jehova gebogen, De hand op de borst, nog onrustig bewogen!
En 't oog, dat omhoog ziet en troost vraagt van Hem, Staat smeekend en smachtend ten hemel geheven; De lippen bewegen en oopnen zich even, Maar tranen en snikken versmoren haar stem:
‘Ai, sla op Uw dienstmaagd een oog vol ontferming, Grootmachtige God! en betoon mij erbarming, Die biddend en weenend in 't stof ligt gebukt; Gij kent en verstaat, wat ik wensch in mijn harte: Ai, laat mij niet troostloos vergaan in mijn smarte, Maar neem van mijn hoofd weg den smaad, die mij drukt!
't Is U niet te veel, mijne tranen te drogen, Die groot zijt van kracht, die, omgord met vermogen, Doet bronnen ontspringen in 't hart der woestijn, Gij, Schepper des levens! Gij spreekt en het is er, En hoort Gij mijn smeeken - geen uitzicht gewisser, Dan dat ik van moedervreugd zalig zal zijn!
En zoo Gij uw dienstmaagd in gunst blijft gedenken, Een kind aan mijn boezem, een zoon mij wilt schenken, Gelijk ik ootmoedig en vurig begeer: Ik wijd hem geheel aan Uw dienst en Uw eere! Ik schenk hem aan U, van zijn jonkheid af, Heere! En kom met mijn kind op mijne armen hier weer.
Ik leer hem reeds vroeg naar zijn Schepper te vragen; Hij blijve Uw wet in zijn binnenste dragen! Hij worde aan den dienst van Uw altaar gewijd! - Geen lemmer zal 't haar van zijn lokken ooit scheren - Hij moge in de schaâuw van Uw tente verkeeren, En sta voor Uw aanzicht als Priester altijd!
Als gij op den druk Uwer dienstmaagd dus neerziet, Haar geeft wat zij bidt - nu zij huiv'rend van eerbied Uw tente is genaderd - een mannelijk kroost: Ik zal U gewis mijn gelofte betalen, En juichend den roem Uwer goedheid verhalen, U dankend, o God! die de needrigen troost.’ -
Zóó bad zij. Wie waagt het, haar smeeking te storen? - De stemme des Priesters laat toornig zich hooren:
‘Wat prevelt ge, o vrouw! met onzinnig gebaar? De nevel des wijns heeft het brein u bevangen!’ - ‘Neen, 'k zocht hier den Heere met zuchtend verlangen, Uw dienstmaagd was biddend, vergrim niet op haar!
Bedroefd was mijn ziel, ik heb schreiend gebeden. Aan God wat mij prangt, wat ik wenschte, beleden; Ik sprak uit de veelheid van 't klagend verdriet!’ - ‘Ga heen dan in vrede! - Geheeld wordt uw smarte, En wat gij den Heer hebt gesmeekt in uw harte, Hij weigert, o droeve, dien zielswensch u niet!’ -
Wat blijdschap en zielsrust is thans haar geschonken! 't Gelaat, dat van lieflijker blos is omblonken, Is langer niet droevig, niet wanklend haar tred; In 't oog staat de glans der verrukking te lezen, De glans, die zich altijd weerspiegelt op 't wezen, Na 't vurig, aanhoudend, geloovig gebed.
Ja, 't bidden, met needrig, vasthoudend gelooven, Roept licht en roept troost in de ziele van boven; 't Vindt meest nog zijn tempel in 't vrouwlijk gemoed. - Een vrouw die niet bidt, eene bloem zonder geuren! - 't Geeft kracht haar om 't hoofd naar den hemel te beuren, Hoe fel ook de storm van het leed om haar woed'!
't Giet kracht in haar zwakheid, om zwijgend te dragen, Zachtmoedig te dulden, vertrouwend te vragen; Het heiligt-haar droefheid, het adelt haar schoon. Den man zij op aarde de schepter verbleven; Der vrouw is de geest des gebeds meer gegeven: De biddende vrouw draagt op aarde de kroon.
Cookies on Poetry Cove