VI.
Zwelg nu, Galiléa's Viervorst! Roem op uw volbrachten eed! Eeuwig zwijgt hij, die den Rechter in uw boezem spreken deed. Treurt, Johannes' droeve jongren, om den gruwel hier geschied! Spreidt zijn lijk de laatste rustplaats, maar beklaagt den doode niet, Die, in 't rijk des lichts gestegen, zijn triomf als Martlaar viert, En, in blinkend-witte kleeding, juichend met zijn palmtak zwiert!
Tooi u weeldrig op, Salome! wen ge op nieuw op 't feestbal treedt! Dans weer, als de afzichtbre bloedvlek is gewasschen uit uw kleed! Adem in de wolk van geuren, die men kwistig om u strooit, Maar dit vreeslijk uur vergeten, diep rampzaalge, kunt gij nooit! Ach! uw naam rolt als een wanklank over de aarde onsterflijk voort, En op zuivre maagdenlippen wordt hij door een zucht gesmoord.
Waakt en bidt, wie met de gave van haar schoonheid zijt bedeeld! Laat de schaamte u 't hoofd omvleuglen en staart huivrend op haar beeld! Hult u dieper in uw sluier, als ge een stemme lisplen hoort, Die het argloos maagdenharte door haar zoet gefleem bekoort! Als de wierook der bewondring voor u geurt op 't reukaltaar. Buigt uw Engel 't hoofd en fluistert: ‘Wie haar liefhebt, bidt voor haar!’
Driewerf wee u, diepontaarde Moeder, door wier schuld zij viel, Die 't verderf uws kinds voltooid hebt en een moord pleegde aan haar ziel! Die, wanneer Gods Zoon, als Rechter, beiden voor zijn vierschaar daagt, Om de schuld dier vroeg verleide, voor Zijn troon, wordt aangeklaagd. - Ach, Herodias, gij snoode! Mocht gij de éénge moeder zijn, Wie bij 't weerzien van haar dochter wroeging wacht en folterpijn! -
Maar gezegend ook die moeder (breekt de dag des weerziens aan), Die op 't pad ten zaalgen Hemel is haar kindren vóórgegaan; Die haar dochter, die zij liefhad, zóó als slechts een moeder mint,
Onder 's Hemels harpgezangen in de rei der zaalgen vindt; Juichend: ‘Moeder neem die krone! smaak de vreugd der Englen nu! Dat ik zalig ben hier boven, 'k dank, naast Grod, dat meest aan u!’
Cookies on Poetry Cove