III.
Salome treedt in, rijk omstraald van den glans Van schoonheid en jeugd, die zich tooit tot den dans; Aller oog wendt zich om van het schitt'rende maal - Nu zij wuift met haar bloemkrans - naar 't eind van de zaal.
Weer heeft zij den krans op haar lokken gezet; Haar huppelend oog houdt de maat met haar tred, Die zich richt naar den wiss'lenden klank der muzijk, In het rijzen en dalen een golfslag gelijk.
De hinde der bergen is trager van voet; De luchter der kronen is flauwer van gloed, Dan de gloed, die er straalt, dan de vonk. die er licht, Waar het tintelend oog van de schoone zich richt.
Nu draait zij met duiz'lende snelheid in 't rond: De punt van haar voetje beroert nauw den grond; Zoo de zaal, waar zij rondgiert, een bloemtapeet was, Zij verkreukte geen spiertje van 't donzige gras.
Soms heft zij haar sluier ten golvenden boog, Als voer ze in een wolk naar de starren omhoog; Of zij heeft met zijn wrong zich de lenden versierd, Als een gordel, die los haar de heupen omzwiert.
Dan poost zij een oogwenk, en wiegt op haar teen, Alsof zij een marmeren studiebeeld scheen,
Of een duifke, vermoeid van zijn steigrende vlucht, Dat zich weegt op zijn wieken, en hangt op de lucht.
Maar 't sein wordt gegeven Tot wilder muziek; Weer ziet men haar zweven Op fladd'rende wiek; Weer ziet men haar zwieren, Zóó licht als een veer, Weer tripp'len en gieren De zaal op en neer. Of 't vuur van die noten, In de aadren gevloten, Zich spreidt door haar bloed, Zóó rept zij den voet.
Bij 't wenden en zwaaien Der kronklende leên; Bij 't werv'len en draaien Op 't spits van haar teen; Bij 't uitslaan en slingren Van d'arm naar omhoog; Bij 't spelen der vingren, Bij 't pinken van 't oog; Bij 't lachje, zóó dartel Geworpen in 't rond; Bij 't springend gespartel, Zóó hoog van den grond; Bij 't zwoegen en 't bonzen Van 't pooplende hart; Bij 't suizen en 't gonzen, Waar 't brein van verwart: Gaan wilder de snaren, Wordt wulpscher de dans! - De roos in haar haren Ontviel reeds den krans; Zij ligt in haar stengel Geknakt en vertreên, Als 't beeld, hoe hier de Engel Der onschuld verdween.
Hoe schoon is Salome! hoe schitt'rend haar blos! De juichtoon der gasten, schel daav'rend, breekt los.
Wat zwier in haar wending, haar houding en leest! Salome is de kroon en de luister van 't feest!
Wat heeft zij getooverd door 't spel van haar voet! Wat harten veroverd, ontstoken in gloed! Hoe heeft zij de zinnen verrukt en gestreeld, En 't feestmaal met frischheid van glansen bedeeld!
De jubel des lofs ruischt haar voor, waar zij gaat; Een sneeuwwolk van bloemen daalt neer, waar zij staat; Zij wordt als de schoonste der bloemen begroet, Die 't oog heeft in 't Oosten of 't Westen ontmoet.
Die lof stijgt Herodes bedwelmend naar 't hoofd, Die, wuft als de schoone, die vleitaal gelooft; En nu zij, bevallig gekromd aan zijn kniên, Den Viervorst dit offer als hulde komt biên:
Nu buigt hij zijn stem tot den lieflijksten klank, En wijdt haar verrukt en verteederd zijn dank: ‘Kies uit, wat ge wenscht!’ zóó betuigt hij en zweert, ‘En 't is u geschonken al wat gij begeert!
Ik spreid heel den schat van mijn koninkrijk bloot; Geen kleinood te dier, en geen offer te groot! Al vroegt gij de helft van mijn vorstlijk gebied, Ik plaatste op mijn troon u, en weigerde 't niet!’ -
Nu rijst eerst de feestvreugd en geestdrift ten top; 't ‘Hosanna’, Herodes ter eere, gaat op! Ach, huiver Salome! vertrouw niet uw lot! Vergood door de wereld, is verre van God! -
Cookies on Poetry Cove