II.
Bl. 23.De kluiver los en fokkeschoot!
De kluiver is een der driehoeks-zeilen, die voor op een schip boven den boegspriet geheschen worden. - De fokkeschoot is het touw, dat de onderzijde van de fok als vasthoudt, en de fok het voorste beneden-zeil aan de ra van den fokkemast.
Bl. 24.En 't schip, gehoorzaam aan dien last, Loeft op en giert - - - -
Als het schip zeilt door eenen wind, die iets schuins van voren inkomt, zoo zegt men, dat het schip bij den wind zeilt; als nu het schip nog iets nader van voren aan den wind gebragt wordt, zoo noemt men dit oploeven.
Bl. 25.Nog middenscheeps de sloep te ontbinden.
Door middenscheeps verstaat men het midden van het schip, of dat gedeelte van het dek, dat zich tusschen de masten juist boven de kiel van het schip bevindt.
Bl. 26.En houdt eerst in de rusten stand.
De rusten van een schip zijn die houten klampen of borden, welke aan weêrszijden der schepen uitsteken, waaraan de hoofdtouwen, die naar de masten oploopen, zijn vastgemaakt.
Bl. 26.Nog rest de giek! de giek gestreken!
De giek is eene der booten, welke men doorgaans op het schip heeft, voorzien van vier of zes riemen, ligter en ranker gebouwd dan de gewone sloep, minder alzoo tegen het geweld der zee bestand, doch daar zij snel kan worden voortgeroeid, te bruikbaarder tot het doen van kleine watertogten.
Bl. 26.Acht kostbre levens zijn gered!
Ik heb hier het getal opgegeven der schipbreukelingen, die zich het eerst in de giek begaven, en ook gelukkig aan wal kwamen. Niet al de eerst aan het strand gekomenen bleven nogtans behouden. Sommigen hunner (gelijk nog duidelijker zal worden uit het hierachter gevoegde verhaal), die ras weder van het strand afstaken, om naar het schip terug te keeren, en de teruggeblevenen af te halen, sloegen met de giek om en verdronken. Tot de verdronkenen behoorde ook de derde Stuurman, die het zijnen pligt rekende, bij het overbrengen der manschappen tegenwoordig te zijn, maar het slagtoffer zijner naauwgezette pligtsvervulling werd.
Bl. 27.Voor wie in de bezaansrust staan.
Door de bezaansrust versta men die rust, welke in verbinding staat met den bezaansmast. Op een driemastschip wordt de voorste mast de fokkemast, de middelste de groote mast, en de achterste de bezaansmast genoemd.
Bl. 28.‘Nu gij, mijn kind!’ ‘Nu gij, mijn vader!’
Men houde dit geenszins voor poëtische fictie. Ik heb deze bijzonderheid uit den mond van den eersten Stuurman zelven en diens zoon vernomen. Zij wordt te treffender, in verband beschouwd met de daarop volgende scheiding van vader en zoon. Ik verheugde mij, bij de voorstelling eener gebeurtenis, welke, hoe belangwekkend op zich zelve, wegens de algemeene bekendheid harer bijzonderheden geenerlei intrigue toeliet, en waarin ik slechts weinige personen handelend kon doen optreden, hier een' draad te kunnen aanknoopen, dien ik kon blijven vasthouden, en welke tot het einde des verhaals doorloopt.
Bl. 29.Dat ziet er één der schepelingen Aan 't strand, - - - - - -
De matroos, die dit moedig en menschlievend bedrijf bestond en zóó gelukkig volbragt, verdient hier wel met eere genoemd te worden. Zijn naam was g.c. molander, die van den knaap, welke door hem gered werd, j. zuiderduin.
Bl. 33.Daar woei nog statig Neêrlands vlag.
De vlag werd door den tweeden Stuurman p.l. zeeman gered, die nogtans niet, gelijk ik het heb doen voorkomen, de laatste aan boord bleef. Ook was de vlag, gelijk men op de schepen altijd gewoon is des avonds te doen, vermoedelijk reeds vroeger ingenomen. Hoewel hiervan niet onkundig, meende ik mij hierin gerust, tot verhooging van het effect, eene kleine verandering als dichterlijke vrijheid te mogen veroorloven.
Cookies on Poetry Cove