HET XVI. CAP.
Datmen meer in tegen-spoet, als voor-spoet moet danckbaer wesen, niet alleen aen Godt, maer oock aende ghene, die ons het Cruys aendoen.272
De quellingh is een weldaedt Godts.272
Men moet Godt meer danckbaer zijn in teghenspoet als in voor-spoet.272
De quellingh verweckt in ons de vreese Gods.273
Den voor-spoet van dese wereldt is een voorteeckingh vande toecomende verdoemenis.273
Nauwelijcks ghebruyckt jemant't Cruys oft quellingh qualijck, den voor-spoedt nauwelijcks jemant wel.273
De quellingh is een voor-teecken van d'eeuwighe
saligheydt.273
De quellingh verduldighlijck verdraghen heeft eenen eeuwigen ende oneyndelijcken loon.274
De H. Theresia bemint sterckelijck haere vyanden.275
Wy zijn schuldigh onse vyanden ende vervolgers te bedancken.275
Den Patriarch Alexander verlost den ghenen die hem gout onstolen hadde.277
Exempels der ghene die weldoen aen hunne vyanden.277 & seq.
Wie dat het ghebodt vande vyanden te beminnen volbrocht hebben.277
Den godtvruchtigen vondt van Ioannes Eleemosynarius om sich te wreecken.278
De H. Lydwina vergelt het onghelijck met weldaeden.279
Wie volmaecktelijck vry is vande ghedachtenis der injurien.280
D'exempels moeten ons een navolgingh inscherpen, gheen cleynmoedigheydt.281