HET XII. CAP.
Dat aen de wellustighe, gierige, en eersuchtighe, en hoofsche menschen geen Cruycen en ontbreken.97
In alle dinghen is ydelheydt, ende quellingh des gheests.97
Hoe schadelijck dat de wellusten zijn.98
Het quaedt der oncuysheydt.100
De Rijckdommen worden doornen genoemt.101
Martyrie vanden gierigaert.101
Afbeeldsel vande helle inden gierighen.102
Aen hoe swaere arbeyden de Eer-sucht onderworpen is.103
De sorgh en slavernije van d'eersuchtighe.104
Aman is droef om dat Mardocheus hem niet en groet.105
Een dichtjen waer in de fouten van t'Hoff beschreven worden.106
Hoe ellendigh het Hofsch leven is.106
Hovelinghen zijn Martelaers vande werelt.107
Philippus den derden wenscht soo langh Eremijdt geweest te hebben, als hy de Croone van Spaenjen gheregeert heeft.107