HET II. Cap.
Dat yder een sijn Cruys moet draghen, gheen verkiesen.147
Welck dat het Cruys van yder een moet gheseydt worden.148
Al dat van Godt komt moet goet geacht worden.148
Elck een moet sijn Cruys draeghen.148. 154. 155
Het Cruys en magh onder de quaden niet gerekent worden.148
Het Gheloof leert ons dat de quellinghen goet, ende verdienstelijck zijn.149
Christus noch een onmondigh kindt zijnde, heeft den teghenspoet verkosen voor den voorspoet.150
De danck-segginghe vanden H. Franciscus in quellinghe.151
Hy noemde sijn quellinghen Susters.151
De volbrengingh van den wille Godts, is eenen troost der Godtvruchtighe.152
Begeerte vanden H. Franciscus Xaverius om te lijden.152
T'is ongheoorloft een Cruys te verkiesen, maer dat ons opgeleydt wort, moetmen aenveerden.154