HET XI. CAP.
Dat men met den waghen des Cruys rydt tot het hemelsch Hierusalem.410
Het Cruys is een triumphantelycken waghen.411
Den Triumph oft zeghen-pralingh van het Cruys ende den Ghecruysten.412
De wielen vande wagen des Cruys zijn de liefde, de ghehoorsaemheydt, lijdsaemheyt, en de ootmoedigheydt.414
De vier wielen vande waghen des Cruys.414
Den ghehoorsaemen ghebruyckt het Cruys voor eenen waghen.415
De liefde en arbeyt niet.415
Met een gheestelijcke salvingh moeten de Cruycen besmeert worden.416
Christus ghesalft zijnde, salft oock ons.417
De peerden vanden waghen Christi.418
Den voerman vanden waghen Christi.419
Hoemen kan Martelaer worden in het bedde.420
Hoe de H. Paula is Martelaersse gheweest.421
Volmaeckte Religieusen zijn Martelaers.421