HET IV. CAP.
Dat men sy selven inde draegingh des Cruys niet beroemen mach.168
Het visioen van Arsenius vande twee die het hout overdweers droeghen.169
De beroemingh moet in alle goede wercken gheschouwt worden.169
Hoe ydel dat het is menschelijcken loff te soecken.170
Wat een groot quaedt dat d'ydel glorie is.171
Datmen gheen deught en magh doen om vande menschen ghesien te worden.172
Hoe d'ydel glorie moet verwonnen worden.173
De ooghe des ghemoets is d'meyningh des herten.173
De meyningh moet altijdts recht, ende tot Godt ghestiert worden.174
D'oodtmoedigheydt moet inde Cruys-dragingh bewaert worden.175
Den Keyser Heraclius en kan met het Koninghlijck habijdt het Cruys niet draghen.175