HET XII. CAP.
Dat het Cruys ter liefde Christi moet ghedraghen worden.232
Het staet de kinderen toe hunnen Vader in alles te behaeghen.232
De kinderen en moghen de discipline des Vaders niet versmaden.233
Aen het Cruys en ontbreckt gheen vertroostinghe.233
Een Vader gheesselt den sone voor den welcken hy bewaert sijne goederen.234
Het ken-teecken der kinderen Godts is het Cruys en quellinghe.234
Daer en is geenen arbeyt in liefde.235
De soetigheydt der liefde.235
De quellingh oft Cruys is de spijse der uytverkoren.235
Den vonck oft banst vande Goddelijcke liefde is Christus.236
De liefde Christi t'onsewaerts.236
Den kelck des lijdens moet vande handt Godts aenveert worden.237
Het Cruys van waer oft van wie het oock komt, en moet niet anders, als vande vaderlijcke handt Godts ontfanghen worden.237
Het is de handt des Vaders, die ons het Cruys opleght.237
Staurophila wenscht aen Godt te behaghen.238
Een sekere Maghet verghelt onghelijck met weldaeden.239
Hoe de selve tot de volmaecktheyt geraeckt is.239
Een dichtjen leerende, dat de beste vrinden Godts meest hier op de wereldt lijden moeten.240
Het welbehaeghen vande Goddelijcke schickinge, is aende godtvruchtighe een oorsaeck van blijschap.239