III.
Oorcondt my toch
Wat Landt heeft u verborgen
Vlysses och
Waar mach Vlysses zijn
VVantick ben noch
Volancxsten end' vel sorgen
Oft door bedroch
Ghy u verstaket fijn
De liefde doch
Is een jalours venijn
Ick ben alleen in droef heyt,, gaar
T' net dat ick daachs heb gebreyt,, claar,
Ontweef ick snachts met arbeyt,, swaar,
Om u de liefste mijn.
Troyen vermaart
Heeft opgeweckt de Griecken
Troyen onwaart
Beweent der Griecken cracht
Troyen hoovaart
Is nu ghecort zijn wiecken
Troyen beswaart
Is van ons t' onderbracht
Troyen onaart
Kent nu Vlyssera sacht
Ilion welck verheven,,was,
End Hector cloeck van leven,,ras,
Sijn oneert end, gebleven,,ras,
Onder der Griecken macht.