Skip to content
1728

Abraham, de aartsvader

Arnold Hoogvliet

Inhoudt.

DE Hemelraat vergaart in 't opperhofpaleis; Daar Saraas schaking, door Godts heerlyke Eigenschappen En wondre Deugden, wordt gewogen naar den eisch. De Wysheit, die op d' aard' moet uit den hemel stappen, Naar 't godtlyk raatbesluit, zendt plagen in het hof; Daar Memfis 't hoge feest van Isis plechtigh vierde, En alles wedergalmt van Apis deugt en lof. De wrede plaagh, die door Vorst Faroos lichaam zwierde, Verzet den bruiloftsdagh, en wordt niet eer gestuit, Voor Saras trouverbont verandert zyn besluit.

DAar is een wondrestat, bewoont van Hemellingen,

Beschryving van de Hemelsche Stat. Ver boven zon en maan, en al de starrekringen; Gebout door d'Almacht in het ongenaakbaar licht, Eer 't wichtigh aartryk, 't grof gevaerte was gesticht. De straten zyn van gout, de schitterende muuren Van Jaspis en Topaas, die d'eeuwigheit verduuren; De fondamenten zyn van enkel Diamant; Niet opgemetselt door een menschelyke hant, Maar door den Konstenaar en Bouwheer aller dingen; Wiens eer en heerlykheit de Hemelburgers zingen, Met duizent stemmen, op een zuiver feestmuzyk. In deze stat is 't hof van 't eeuwigh koninkryk, De rykstroon van den Vorst en Koning aller koningen, Gesticht in 's Vaders huis vol heerelyke woningen. 't Almachtigh Wezen heeft, van onvergangbre stof,

En van de Opperzale, waarin de Hemelraat over de schaking van Sara te samen komt.Een heerlyke opperzaal gezoldert in dat hof, Wiens dak is van Kristal; de wanden zyn Agaten, En vlammende Robyn, en gloeiende Granaten; De vloer is geplavyt met blaauwen Hyacint, Smaragt en Sardonix, Safier, die 't oog verblindt; Met Amathisten en Berillen, fyn geslepen, En door 't oneindige vernuft in gout gegrepen. Dit was de raatzaal van de hoogste Majesteit, Sints 't Woort des Heeren, door alwyze Mogentheit, De heemlen vormde, 't hoog gestarnt zyn' omgang leerde, En door den Geest zyns monts 't Heelal uit niet bootseerde: Alwaar de hooge Raadt van Godt nu t' samenkwam, Gedaghvaart om de zaak van vader Abraham.

's Digters aanroepinge om verlichting in deze Godyke geheimenissen.Maar wie zal nu myn snaar op hooger toonen spannen, En 't aartsche denkbeelt uit myn laage ziel verbannen, Op dat ik Godts geheim afmaale in myn gedicht? Gy, Serafynen, voert me in 't onbenevelt licht, In 's hemels hoogen Raat; of leent me uw vlugge vleugels! Is 't waar? en vliegt myn geest thans zonder toom of teugels, Den aardbol uit het oog; de zon en maan voorby, Tot in 't geheimvertrek der Opperheerschappy? ô Neen. 'k bedrieg me: 'k ben aan 't lichaam slaafsch verbonden. 't Gaat echter wel. een geest van boven afgezonden, Een vlugge Bode van het hemelsch Hofgezin, Bestiert myn' veêr, en blaast myn' geest geheimen in. Wanneer de Hemelraat in d' opperzaal genadert, Beschryving van den hoogen Hemelraat. Nu op het klinken der bazuinen was vergadert; Ging yder zitten in zyn ordening en stant, Aan eene tafel van geslepen Diamant. Waar in de Vader der genade, lang voorleden, Zelf met zyn' vinger had het Vreêverdragh gesneden; Het welk de Middelaar, door zyn beloofde doot, Met Godts Rechtvaerdigheit en Menscheliefde sloot. Daar lagen op 't eene eint de boeken der verbonden; Van Godts besluiten; 't boek des levens, en der zonden, En 't boek van zyn belofte en woort, 't welk open lag. d'Eenvoudigheit zat met een goddelyk ontzagh Bestaande uit Godts Eenvoudigheit, Aan d'eene zyde van de tafel, hoog verheven, Die, vry van samenstel of toeval, 't volste leven, En zuiverste eenheit aan 't volmaakte Wezen geeft, Dat met die volheit in zyn Eigenschappen leeft. Daar naast Godts Eeuwigheit, die nimmer is begonnen, Eeuwigheit, En zonder einde, door geen tyt wordt overwonnen, Maar d' eeuwen in zyn vuist tot oogenblikken kneedt:

Onafhangklykheit,Toen Onafhangklykheit, die van geen oorzaak weet,

Almacht,Maar door zich zelven leeft en werkt: toen Alvermogen, Die 't water van de zee heeft in zyn hant gewogen, En van de hemelen de maat nam met een span.

Alwetenheit,Toen volgde Alwetenheit, die 't al beschouwen kan, En met zyn alziend oog in 's menschen boezem dringen; Die hun gedachten weet, en al hun handelingen;

Aanwezenheit, of Overaltegenwoord digheit,Met Godts Aanwezenheit die 't groot Heelal beaâmt En beide polen met zyne armen overvaâmt.

Heiligheit,Aan de andre zyde zat de Heiligheit, wiens oogen, Te rein en zuiver, nooit gebrek of smet gedoogen:

Wysheit,De Wysheit, die het al regeert, en houdt in stant:

Rechtvaerdigheit,Rechtvaerdigheit, die in 't gericht de vierschaar spant:

Barmhartigheit,Barmhartigheit, die, in het goedertieren wezen, Genade, menscheliefde, en goetheit geeft te lesen.

Lankmoedigheit,Lankmoedigheit zit met de Waarheit aan zyn zy',

Waarheit en Algenoegzaamheit.En Algenoegzaamheit besluit aan 't ent de ry. Men hebbe, in den omtrek dezer verbeeldinge, de namen der goddelyke Eigenschappen als nomina propria of eigen namen, en niet als Substantiva of namen van de vr. soort, aan te merken. Dus was de Hemelraat in d'opperzaal gezeten,

Aanspraak der Oppermajesteit aan de Hemelraden, zyne onafscheidelyke Eigenschappen.Wen 't eeuwig Wezen, met geen denkbeelt af te meten, Dat enkel leven is, en geest, en majesteit, Een wondre blyk gaf van zyn tegenwoordigheit, En liet zyn Heerlykheit, in een kolom van stralen Besloten, boven 't hooft der Hemelgrooten dalen; Met zulk een' heldren glans en onbegryplyk licht, Dat al de luister van de zaal verdooft en zwicht; Dat zelfs de goude zon hier by zou duister schynen, De maan beschaamt zyn, en het bleek gestarnt verdwynen. Thans spreekt de Hemelvorst, de Schepper van 't Heelal, Met een verheve stem, bezielt van hemelval, Waar door de dorpels en de hemelposten beven: Volmaakte Vorsten, ziel en luister van myn leven, ô Verziende Oogen van het opperste gewelf, Onscheidbre Deugden en Volmaaktheên van myzelf; ô Eigenschappen van myn eeuwigh godtlyk Wezen! Het heugt u allen, hoe het menschdom lang voor dezen, Het voorwerp was van myn vermaak; hoe 't vreêverbont, Gestaaft wierd eer dit hof op vaste pylers stont, En eer ik de aarde had uit grove stof geweven, En om den afgront zulk een ommekring geschreven. 'k Heb naderhant den mensche uit aarde gebootseert, En aan zyn schrandre ziel myn heiligh Beelt vereert. Maar 't heugt u ook, hoe hy heeft myn gebot geschonden, En myn Gelykenis verwaarloost door de zonden, En al zyn nageslacht bedurven om dees daat: Ja 't heugt u, wat 'er toen al omging in myn' Raat: Een stof te wightigh om ten ruimste te verklaren. 'k Heb toen 't Genâbesluit aan hem doen openbaren, In de erfbelofte, dat ik in het Zaat der vrou, Al die gelooven, weêr met my verzoenen zou. Maar ach! hoe 't menschdom meerop d'aard' vermeenigvuldigt, Hoe meer de boosheit in het hart wordt ingehuldigt: Hoe 't zaat des afgronts my meer smaat doet dagh aan dagh: Zoo dat ik weinigh deugts in acht paar eeuwen zag; Tot ik het boos geslacht niet langer kon gedoogen, En fluks verdelgde door een zondvloet uit myne oogen. Den vromen Noäch met zyn vrou en huisgezin, Heb ik, tot voorwerp van myn teedre Menschemin, En om myn eeuwige besluiten, nogh behouwen; Op dat hy zoude op nieuw de tweede waerelt bouwen. Uit zyn drie zonen heb ik 't menschdom met myn hant Weêr milt vermeerdert, en op d'aarde voortgeplant. 'k Heb Jafet uitgebreidt, en tot ontelbre Volken Vermeenigvuldigt, en gezegent uit de wolken: Maar in de tent van Sem, die myne woning is, Wordt nogh 't geloof bewaart en de Erfbeloftenis. Uit dezen stamme heb ik my een' man verkoren, In wien myn Beeltenis wordt daaglyks meer herboren. Ik sprak met hem, als met een vrient, van mont tot mont: 'k Heb myn belofte aan hem vernieuwt, en myn verbont Met hem gesloten, om al 't menschdom in zyn' Zade Eens milt te zeegnen naar myn eeuwige genade. Maar wat gebeurt my? wat gebeurt myn' Abraham? 'k Zie van den hemel, hoe het boos geslacht van Cham My lagen legt; en hem zyn Sara durft ontrooven, Wiens schoot, naar myn belofte, een heiligh zaat moet stoven;

En hoe Egipte op dit onheiligh huwlyk wacht. Indien men dit niet weere, ontbreekt het ons aan maght. Dan kan 't afgodisch volk myn' wil en wetten buigen: Dan valt het koninkryk van myn genade in duigen: Dan zinkt de grontvest van het aartsche kerkgebou. Indien men dit niet weere: indien men deze vrou Niet haastigh redde, om aan haar' Abram weêr te geven; Dan zal 't geloof noit meer aan 't menschlyk herte kleven. Vergeefsch is dan myn Raat des vredes. dan is 't uit Met myn belofte, woort, en waarheit en besluit. Myn hemelsche bazuin riep daarom u te samen, Om 't beste middel voor myn eere te beramen. Hier zweeg de Almaghtige, en men hoorde een sterk gedruis Dewelke door de Rechtveerdigheit eerst beantwoort wordt. Van heilgen yver door het godtlyk hemelhuis; Niet ongelyk 't rumoer der voortgedreve winden Door dichte bosschen, en door hooggetopte linden. Toen rees Rechtvaerdigheit eerst op in 's Hoogsten Raat. Het bliksemde overal, waar hy zyne oogen slaat, En donderde door al de wyde hemelstreken, Toen hy zyn stem verhefte, en dus begon te spreken: Ik rade, dat men fluks de strenge vierschaar spann'; Godts rechten wege; op dat men vonnis spreken kan: Zoo zal d' Almogenheit Egipte haast vervormen, En Faraö met al zyn volk van d' aarde afstormen. Het is genoeg bekent aan u, Alwetenheit, Hoe toch alree de vloek op Chams geslachte leit, Om dat hy 's vaders schaamte uit dartelheit dorst honen: Maar schoon men dit ook in den nazaat kon verschoonen; Wy zien van 's hemels top de snoode afgodery, Tot hoon der Godtheit en van de Opperheerschappy. Hoe kunt ge, ô Heiligheit, dit aanzien met uwe oogen? Waar blyft uwe edle wraak, ô eeuwigh Alvermogen?

't Welk d' Almagt opvat.De ontzaglyke Almaght zei: ik voer de wraak niet uit, Dan die men vaststelt door een Godtlyk raatbesluit: 't Waar anders haast gedaan met al de waereltlingen. Geen Adams nazaat zou de strenge wraak ontspringen. Geen mensch, die leeft, kan voor het godlyk recht bestaan. Geen een uit duizenden kan de oogen opwaarts slaan, En zeggen: ik ben rein en zuiver van gebreken.

Tot Lankmoedigheit opryst,Nu stont Lankmoedigheit gereet om ook te spreken; Die lieffelyk van oog, en zedigh van gelaat, In 't aanschyn blinkt gelyk de hemeldageraat, Wanneer de Heilzon klimt met heur genadestralen: Men kan zich by den eisch der Godtheit thans bepalen, (Dus sprak Hy) tot men eens daar na de vierschaar spann', Terwyl men 't Heidendom zoolang verdragen kan, En laten wandelen in zyn verdwaalde wegen: Dit spreekt Godts recht; dit spreekt de Heiligheit niet tegen: Ja dit is zelfs 't besluit van dezen breeden Raat. Ik rade, dat men, door een goddelyke daat, Den Vorst verneder', en hem Sara weêr doe geven; Of hy misschien zich nogh bekeeren moght, en leven Tot eer der Godtheit, en de hoogste Majesteit. Ach! moght dit toch geschiên (riep toen Barmhertigheit) En door Barmhartigheit ondersteunt wordt. Ach! wou de Egiptenaar 't afgodendom verzaken! Ach moght al 't menschdom met zyn' Heilant vrede maken! Dan blonk myn liefde tot het menschelyk geslacht, In 't zoenverbont, en myn genade in voller kracht! Dit zeggende, schoot, uit een godlyk mededogen, Iet wonderlyks, gelyk de tranen, uit zyn oogen; Want tranen storten past aan geen volmaakten stant; Maar het is zeker, dat het heiligh ingewant Van liefde rommelde, en dat, op dit woort, zoo teder, Rechtvaerdigheit schier al zyn' yver lag ter neder. Toen rees de Wysheit op, die straks een heerlyk licht De Wysheit ryst eindlyk op. Van goddelyk verstant vertoonde in 't aangezicht; Dat zelve licht, dat al van eeuwigheit geschenen Den vondt ontdekte, om Godt met menschen te vereenen: Die wondre vinding van het eindeloos vernuft, Waar voor 't bepaalt begrip der waereltwysheit suft. De snoode afgodery de hartaâr af te steken, (Dus sprak hy) dat was ook Godts Raatbesluit verbreken. Slaa vry 't gedenkboek op, waarin 't geschreven staat; Men zal bevinden, dat in Godts geheimen Raat Besloten is, dit volk een langen reeks van dagen, Tot voller mate van zyn zonden, te verdragen. En wyst het middel aan om de zaak van Abram te herstellen. De wyze schikking van het oogmerk en het ent Is, o Alwetenheit, aan u genoeg bekent; En wat gedragh ik, door de kracht van 't Alvermogen, In myn Voorzienigheit zal houden voor uwe oogen. Maar heeft nu Faraö die schoone vrou geschaakt; Geen noot. ik heb nogh voor haar zuiverheit gewaakt, En weet een middel om haar weder te bevryen, En alles zal tot eer der Majesteit gedyen. Ik zal aan Faraö, nu in een korten stont, Ontdekken het geheim van Saraas echtverbont; Doch, op dat hy de hant niet sla aan Abrams leven; Maar zelf gedwee aan hem zyn Sara weêr zou geven. Zal ik het driftigh en wellustigh lichaam slaan Met harde plagen, en hem stuiten in zyn waan: Zoo dat hy zelf de hant van 't eintloos Opperwezen, Door myn voorzichtigheit, gevoelen zal, en vreezen: Zoo staa het raatslot pal, en de eer der Majesteit: Zoo leef 't Egiptisch volk door u, Lankmoedigheit, Tot dat het, al te boos, na vier verloopene eeuwen, De hant zal schenden aan onnoosele Hebreeuwen, En tergen uw gedult door zulk een schriklyk kwaat; Dat zelfs Barmhartigheit de voorspraak varen laat'; Als gy, Rechtvaerdigheit, met uw gevreesde vingeren, De bliksems van uw wraak zult uit de wolken slingeren; Uw recht vervolgen, en den Nylvorst met zyn heir, In 't aanzien van ons volk, neêrdomplen in het meir.

't Welk d'Oppermajesteit aanneemt, en d'uitvoering beveelt.De Vader der genade, in 't heerlyk licht besloten, Toont, op de reden van de Wysheit, aan zyn Grooten En Hemelraden nu een onbegryplyk licht, Een wonderlyken glans van 't eeuwigh aangezicht, En sprak: die wyze raat is naar myn welbehagen. Wy laten dan de zorg om Faraö te plagen, Tot hy vrou Sara weêr verlosse uit zyn hant, Aan de Alvoorzienigheit van 't goddelyk Verstant, Terwyl myn Almaght tot dat einde meê zal werken; Maar ondertusschen moet men Abraham versterken Met dierbre gaven van myn hemelsche genâ, Op dat hy 't menschdom tot een heerlyk voorbeelt sta. Hier zweeg de Hemelvorst, omheint van bliksemstralen, Ondertusschen wordt Abram versterkt met hemelsche geschenken van Godts meêdeelbare Eigenschappen. En straks verscheen 'er, op zyn' wille, in de opperzalen Een ry van geesten, die den mensch ten dienste staan, Om af te dalen van de steile starrebaan, En in het vroom gemoet van Abram in te stryken, En met een wondere schenkaadje te verryken. De Heiligheit gaf tot dien geestelyken schat De zuivre godvrucht, die de deugt in zich bevat. De Waarheit schonk 't geloof: de Wysheit wetenschappen: Barmhertigheit genade, in onderscheide trappen. Lankmoedigheit gedult; en Algenoegzaamheit Gaf zielvreê, daar de smaak van 't hoogste Goet in leit. Voorts schonk Rechtvaerdigheit, myn' Abram ook genegen, Een fyne redenschaal om goet en kwaat te wegen. Hier meê vertrokken nu de boden van omhoog, Waarna de Hemelraden verdwynen in de onveranderlyke Eenheit Godts. Terwyl de Almagtige de lichtkolom bewoog, En openscheurde, en spreide, en deedt, op het verschynen Van zyne Heerlykheit, den Hemelraat verdwynen In enkle Godtheit van zyn onbegryplyk Een; Waarop het licht ook tot onzichtbren Geest verdween.

's Dichters overgang uit de bespiegeling van het licht, tot de duisternis van den Egiptischen afgodendienst.Thans daalt myn Dichtgeest, uit de stat der Hemellingen, Op de aarde neder, om den afgodtsdienst te zingen; En strykt, daar Memfis nu Osiris feest beschout, Gelyk een arent in het schaduachtigh wout, Wen hy de zon heeft in het glansryk oog gevlogen. Ai my! hoe schemert al die dwaasheit in myn oogen. Ik zie een mengeling van kleuren voor 't gezicht, Nu ik myn aandacht, uit het ongenaakbaar licht, Sla op de duisternis der afgedwaalde volken. ô Grootvorst van 't Heelal! die boven lucht en wolken, Met alziende oogen op uw schepsels nederziet; 't Mishage uw Majesteit, 't mishage uw Godtheit niet, Indien ik myn tafreel, gewydt aan uwe Waarheit, Met valsche godtsdienst sier, vol schemering en naarheit: Indien ik by de zon een donker wolkje trek, Dat tot een schadu van myn schildery verstrekk', En dus de afgodery der dwaze Egiptenaren Gebruik tot houding, om ons denkbeelt op te klaren; En tot verdieping van myn stuk, op dat uw licht Met grooter heerlykheit afstraale in myn gedicht, En valle op mynen Helt met schooner glans en luister! Ik wryf myn oogen dan op 't nevelachtigh duister; En steek myn dichthulk, want de Hemel hoort myn beê Op Godts genade in zulk een diepe letterzee. Het nageslacht van Cham, van 't heilgeloof geweken, De Afgodery bebeschreven. Dat vader Noäch aan zyn zonen plag te preken; En van den godtsdienst, dien hy uit de hoogste zee Bracht, in het eerste schip, uit de eerste waerelt meê; Had lang het denkbeelt van den Waren Godt verloren, En valsche goden, naar zyn' dwazen zin verkoren. 't Had allerhande goôn, gedrochtelyk van stant, En huis-en haartgoôn, en beschermers van het lant, En draagbre goden, die de onnooslen, waar zy gingen, Godsdienstigh eerden, en aan hals en gordel hingen; Van allerlei gestalte en maaksel, uitgesneên Met beestekoppen op de menschelyke lêen, Die 't looze Priesterschap de dwaaze Egiptenaren, Kwansuis voor ziekten en voor allerlei gevaren, Stopte in de hant, en met geheime beeldespraak Versterkte, tegen het gewelt van Thifons wraak. Doch boven alle die afschuwelyke poppen, Byzonder den dienst aan de godinne Isis. Met honden-vogels-en gevreesde leeuwekoppen, In 't papenbrein gesmeedt, diende ook de Egiptenaar, Met offerhanden, en met plechtigh kerkgebaar, Zyn groote tempelgoôn, dien zy den wierook boden. Maar Isis, Koningin, en moeder van de goden, Had vuur en haart, en was by yder hoogst geroemt, En hemelsche Princes, en vrou van de aard' genoemt;

De Teelster der Natuur, de Koningin der geesten Gemeene Baarmoêr van de menschen en de beesten, Nootschikster van den tyt, van storm en weêr en wint, Die 't aardryk zegent, en den wyn en 't koren vindt: Ja met noch grooter reeks van tytelen en namen Begroetten ze Isis, als zy in haar' tempel kwamen, En wierook offerden, en stortten hun gebeên; Want Isis was het al: ja Isis gaf alleen De milde vruchtbaarheit aan jonge lui, die trouwen; En was de toevlugt van de zwangergaande vrouwen. Men zeit, dat zy weleer, met godt Osyr gepaart, De goden Harpokraat en Horus hadt gebaart: Dat Thifon, (die de godt van 't kwaat was en der zonden)

En de oorspronk van Apis.Haar' man Osiris had gedoodt met vele wonden; En zy in diepen rou haar egaas leden zocht, En vond, en eindlyk in een kist ten grave brocht: Maar dat ('t geen wonder luidt) een os zich toen vertoonde; Waar in de godtheit van Osiris zichtbaar woonde; Die straks, met groote vreugt voor elk ten toon gestelt, Werd aangebeden, en bewaart voor 't stout gewelt Des wreeden Thifons, die, door Isis wraak verslagen, Was in een Krokedil verhuist, vol booze lagen. Men zegt ook, dat dit beest toen Apis werd genoemt, En zyne godtspraak door Egipte was beroemt. Maar dit is zeker: dat men by d' Egiptenaren, Op Isis feestdagh, met kerkplichtige gebaren Osiris doot beweende, en dat men na 't geklagh. Het bly verschynen van den Osgodt vieren zag. 't Was deze hoogtyt, dien nu Memfis plechtigh vierde. En haren Feestdagh, die nu geviert wordt. De routyt leed niet, dat men zich tot vreugde sierde. De laatste dagh, wanneer die godt verschynen zou, Was tot de vreugt geschikt van 's Konings tweede trou. Thans hoort men dagh aan dagh, in plechtige ommegangen, Osiris wreede moort in rou-en treurgezangen Beklagen: yder toont zyn druk en boezemsmert. Al 't hof is in den rou. de tempels zyn met zwart Behangen; en men ziet den Koning, en zyn' magen, De Grooten, en den Raat, nu mirtetakken dragen. Dus wordt de staatsy pracht en luister bygezet. De hofstoet volgt den sleep met eenen tragen tret. De hoofden hangen, en de wapentuigen slepen. Heel Memfis volgt, en is van druk in 't hart benepen. Maar Isis priesterschap, gekleedt in wit gewaat, Die met een naar geluit den bangen boezem slaat, Heeft, tot een blyk van druk, het aangezicht geschonden; Het hooft geschoren, en het lyf met diepe wonden Gesneên; en huilt en zucht, en steent van bangen noodt, Ter eer van Isis druk, en van Osiris doot. Men heeft de pynboomtelg, of alsemtak in handen. De Sister knerst, en slaat op zyne kopre randen, Verjaagt nu Thifons geest door 't schor en naar geluit, En lokt de zuchten van het volk ten boezem uit. Men ziet Anubis met zyn hontskop ommedragen, Die 't lyk opsnuffelde, zoo jammerlyk verslagen, En vogel Ibis, die aan Isis heiligh is. Een ry van knapen torst, tot haar gedachtenis, De goude korenmaat; om dat ze lang voor dezen Den akkerbouw eerst aan den mensch heeft onderwezen; En 't zilvren watervat, het welk den Nyl beduidt, Dien ze overloopen doet, en in zyn boorden sluit. Voorts volgen, by 't geluit van kopre rinkelbommen En grove trommelen, een reeks van heiligdommen, En wierookvaten, en gereetschap, en al wat De plechtigheit van dien afgodendienst bevat.

Die duurt zes dagen, op den zevenden moest de afgodt Apis verschynen.Dus gaat de staatsy dagh aan dagh door breede straten, En 't naar geloei duurt 's nachts nogh even uitgelaten; Wanneer de meenigte, gevloeit uit alle steên, Uit Panos, en Bubaste, en Koptos, en Syeen, Den nacht tot lichten dagh herschept door duizent lampen, En zoekt Osiris lyk, en klaagt om zyne rampen. Maar als de zesde dagh verscheen van 't hooge feest, Dan rees de druk in top, dan was ook de aandrang meest, Om dat, wanneer de nacht nu weder zou verdwynen, Een yder hoopte dat godt Apis moght verschynen: Ook lokt de huwlykspracht en schoone Saraas lof Schier heel Egipte thans in Memfis naar het hof.

De opperste Wysheit daalt, en zendt een booze plaagh aan 't hof van Faraö.Maar d'Opperwysheit, die, in 't eeuwigh ryk der dagen, Het alvoorzienigh oog op 't menschdom houdt geslagen,

En om de dwaasheit van zyn ydle poging lacht; Was op den wagen van de goddelyke Maght, Die door vier winden wordt getrokken, ondertusschen Gereên uit Hemelstat; om 't heilloos vuur te blusschen, Dat Faroos hart nu zet in lichte vlam en gloet, En kuische Sara ver van Abram leven doet. Daar is een wyd gewest van dampen en van wolken, Die 's waerelts vlammend oog beneden uit de kolken, En modderigh moeras, en poelen, opwaerts trekt, En dikwerf 't starrenheir tot een gordyn verstrekt: Dat is de ruimte, daar de bleeke plagen woonen, En pest, en ziekten, die zich aan den mensch vertoonen; En daar des hemels Wraak de donderklooten giet, De bliksemschichten smeedt, die ze op het menschdom schiet: Hier kwam d'Alwysheit, en gebiedt een ry van kwalen, Om in een nevel op Egipte neêr te dalen, En door den adem zich te mengen in het bloet Van Faraö, en al den koninklyken stoet, En plagen 't lichaam met verborge booze zweren, Die 't hart verflaauwen, en de drift tot wellust weren. Wanneer de dageraat, met rozen opgehult, Vervolg van 't feest van Isis, en de verschyning van Apis. In 't fyn oranje kleet de kimmen had vergult, Stont reede een meenichte, met uitgestrekt verlangen, Voor Isis tempeldeur om haren godt t' ontfangen. Hy moest verschynen met de zon, of 't werdt gelooft Dat heel Egipte hing een onheil boven 't hooft; Om dat Osiris, die in Apis zich vertoonde, Dat licht regeerde, en 't lant met vruchtbaarheit bekroonde. Wanneer de zon nu pas tot aan de kim oprees, Was yders hart beklemt, als tusschen hoop en vrees, Daar duizent oogen van de hooge transsen staren; Maar naaulyks had zy, uit een zee van goude baren, 't Volschapen aangezicht geheven boven 't nat, Dat goude droppen in het glansryk wezen spat, Of de Osgodt naderde, en begon geloei te maken; De kopre tempeldeur te knarsen en te kraken, En langsaam t'openen. daar komt nu Apis aan, Met zilvre horens, net gekromt gelyk de maan. Hy treedt ten tempel uit, verzelt van al de reien. Van Isis priestren, die hem door de straten leien.

Algemeene blydschap van de meenigte.Nu steekt al 't volk de keel van vreugde teffens op. De stat is vol gejuicht. de blytschap ryst in top. Men zwaait de sluiers, en wat meer den druk verbeeldde, Nu over 't hooft. het slaat thans over tot de weelde. Elk zingt, en springt, en roept: gezegent is de dagh, Dat men Osiris weêr in Apis vinden magh! 't Weêrgalmt vat Isis lof, en Apis groot vermogen. Dus volgt de meenigte, tot daar men voor haar oogen Den geurgen offerwyn, met aarde en zout gemengt, Op zynen witten kol, voor 't zwarte voorhooft, plengt. Daar wordt een kostlyk kleet, van boven tot beneden Met dierbaar gout bestikt, gehangen om zyn leden. Dus wordt hy naar het koor, daar hy zyn woning heeft, Geleidt, vanwaar hy al dien dagh elk antwoort geeft. De dwaasheit van 't volk en 't bedrog der Priesteren zyn de steunsels van een valschen Godtsdienst. Hoe doolt het domme volk niet in een donkre naarheit, Wanneer 't de stralen mist der goddelyke Waarheit, En van de lippen van het looze priesterschap Te deerlyk afhangt, en geleidt wordt in de kap; En dus t' elendigh tot een speelpop moet verstrekken Van outervlegels, die zich met een gryns bedekken Van valsche godtvrucht en gemaakte stemmigheit; Waar door men 't volk best met den neus den tuin omleidt; Een doek voor de oogen der onnoozelen kan binden, En 't zelfsbelang in al de plechtigheden vinden. Maar schoone Sara, die in 't groot en vorstlyk huis De droefheit van Sara in deze omstandigheden. Hoort al het woest geschreeu, en 't juichend feestgedruis Der vrolyke gemeente, en vast alle oogenblikken De tyding wacht, om zich naar 't echtaltaar te schikken; Is nu ten einde raat, en schier ter wanhoop reê. De moet ontzinkt haar in een deerlyk hartewee. Nu komen vreeze en angst ten boezem binnen stryken: Dan moet het alles voor haar huwlyksliefde wyken; En zomtyts wordt ze weêr verwonnen door haar leet, Terwyl zy dikwyls een grootmoedige uitkomst smeedt. Maar waar zy 't heen wendt in d' onzekere gedachten, Zy smelt in tranen, of berst uit in jammerklaghten. Gelyk een dikke drang van wolken, 't saamgeperst Door dwarrelwinden, wordt genepen tot hy berst,

En hare klaghten.En openscheurt, met storm of harde donderslagen; Of wordt, gelyk een spons, gedrukt tot regenvlagen. Alziende Godtheit! ach! (dus roept ze dikwerf uit.) Is dit het eint dan van uw godtlyk Raatbesluit! Is dit dan d' uitkomst van het woort van uw genade, Dat gy al 't menschdom eens zoudt zeegnen in myn' Zade? Of zal dees heillooze echt nu in een' korten stont, Het zegel hangen aan het eeuwigh heilverbont, Dat gy met Abram maakte, eer wy ons lant verlieten? Of legt uw heilbelofte in myne zielverdrieten, En in myn echtbreuk opgesloten? immers neen. Of zyt ge, ô Hemel! zyt gy doof voor myn gebeên! ô Ja. want of ik zucht en steen geheele nachten, Gy zyt veel harder dan metaal voor al myn klaghten! Ach! Abram, Abram, ach! myn Heer, myn toeverlaat! Waar zyt ge nu? Helaas! waar is uw trouwe raat? Zal ik dees hant, dit hart, myn trou, ja zelfs myn leven! Uwe eigendommen, aan myn' roover overgeven? Zal dus myn eer ten doel der vuile wellust staan Van een' barbaar? zal ik ten afgodstempel gaan, In spyt van myn geloof in 't eintloos Opperwezen? Eer zal ik door de doot my van myn smart genezen. Maar ach! ik vreeze voor Godts eeuwige ongenaâ, Zoo ik de handen aan myn eigen leven sla. Ik zal veel liever dan ons trouverbont ontdekken. Ach! neen. ô Hemel! neen. hy zou den echt voltrekken,

Ten kosten van het hooft myns Abrams. ô verdriet! Wie kent de drift van een' verliefden Koning niet? Ik voel een koude schrik doortrillen al myne aâren. Ai my, rampzaalge vrou, wie helpt me uit die gevaren; Daar Hemel, aarde, en zelfs de schrikkelyke doot, My hulpe weigeren, en uitkomst in den noot! Zy valt in onmagt, waarna zy een grootmoedigh besluit neemt. Hier zeeg ze in onmacht met de dootverf op de lippen. 't Scheen of de ziel haar nu gevoelloos wilde ontslippen. Zy drukte met het hooft heur ademlooze borst: Gelyk een frissche bloem, door niemants hant bemorst, Het hooft voorover buigt, en legt ter aard' gezegen, Door zonnebrant, en door gebrek van daau en regen. In 't ent bekomt ze, en zegt met een benaaude zucht, Die haare bange ziel uitboezemt in de lucht: Dit alles komt my, min door 't woeden van myn' roover, Dan door 't vergif van dees gewaande schoonheit, over. 't Is best dat ik my aan dat ydel schynschoon wreek', En dat vernis met myn verwoede nagels breek', En openkrabbe, en 't haar ontsnoert om 't hooft laat hangen; Op dat de Koning walg van de opgereten wangen. Ik zal het hulsel, en het vorstlyk bruitsgewaat, (Daar koom van wat het wil) verscheuren, en 't sieraat, Ja zelfs den schepter en de kroon, met voeten treden. 'k Zal alles wagen voor den godtsdienst en myn zeden; Voor de edle vryheit, en myn Abrams trouverbont. Dit hoorde Hoffra daar zy voor de slaapzaal stont.

Zy krygt tyding van de ziekte des konings.Zy treedt 'er eindelyk in; doch houdt de zaak verborgen. De Koning (zei ze) wenscht een zegenryken morgen Aan zyne schoone Bruit, zyn lief, zyn levenslust, Die hy noch dezen dagh op de echtkoets had gekust; Indien 't de welstant van de majesteit kon lyden: Maar de ongestalte, die het lichaam komt bestryden, Verbiedt den wellust en de liefdekozery, En eischt een korte poos de rust en artseny. Maar eer de goude zon nogh driemaal op zal klimmen, En driemaal dalen in de vochtige avontkimmen, Hoopt Faraö de kroon te zetten op uw hooft; Zoo 't waar is, 't geen een ry van artsen hem belooft.

Die haar tot een voorbode van verlossing verstrekt.Op yder woort verschoot de schoone vrou van verven. Nu bloosde zy: dan scheen ze als marmer te besterven: Nu zag men versche sneeu, dan gloeiend inkarnaat: Nu was het zomer, dan weêr winter op 't gelaat. Met zulk een drift bestreên de toghten 't hart van binnen, Om d'eerste zitplaats in d'onstelde ziel te winnen: Maar in die barning voelt ze een ongewonen gloet, Een goddelyke straal der Heilzon in 't gemoet, Die thans den harden storm der driften doet bedaren; Het hart door hoop verkwikt, en 't licht weêr op doet klaren. Ze erkent in 's Konings ziekte een goddelyk beleit; Een voorboô van haar heil, die in haar eenzaamheit De vreugdetranen wekt met aangename vlagen. Zoo ziet men dikwerf, als de wint is omgeslagen, Na noorderstormen in het lieflyk meisaizoen, Waar door 't geboomte beeft van koude, en 't jeugdigh groen Besterft door barren wint; dat uit het zoele zuiden, Een lieve regenvlaag op de eerstontloke kruiden, En bloemen druipt, en al 't gewas besproeit op 't velt, En dus de flauwe hoop des akkermans herstelt. Maar welk een donkre wolk van nare en zwarte zorgen Al 't hof wordt door de Plaagh aangetast. Hangt Memfis boven 't hooft! men hoort'er elken morgen Bedrukte tyding, die de vrees en angst en schrik Strooit onder het gemeen, en groeit elk oogenblik, Hoe zy al verder op de tongen wordt gedragen. Men spreekt 'er anders niet dan van de wreede plagen, En van 't verborgen kwaat dat Faraö bekruipt, En al den Adel dagh aan dagh in de aders sluipt; Het bloet doet gisten; 't hart in rustelooze nachten Benaut door kwelling, en zwaarmoedige gedachten; De leden pynigt en de levenskracht verdooft. De Nylvorst lag nu op het rustbedde afgeslooft, Daar huis- en hofgezin, zyn magen en zyn vrinden, Zich in dezelve elende en naren toestant vinden. De weelde was nu wegh en de overdaat verhuist; De pracht en hovaardy byna in 't stof vergruist. De blonde wellust die den Koning plagh te streelen Met zachte handen, was, met alle zyn gespelen, De lekkernyen, en de trage ledigheit, Vermaak en kortswil; door de plaagh het hof ontzeit.

De Egiptische Artsen, zoo beroemt in d' artsenyen, Bestreden 't kwaat met uitgelezen kruideryen; Maar wat is artseny en kunst? wat is verstant, Indien de Godtheit slaat met haar gevreesde hant? De Wyzen staan verbaast, en roepen uit: ô wonder! Dit komt van hooger hant! hier speelt een godtheit onder! Dat men de gramschap van de goden op 't altaar, Verzoen' met offerhande en plechtigh kerkgebaar.

Men offert plechtigh tot verzoening der goden.De priesters zoeken fluks uit al de runderdieren Tien ossen hagelwit, en tien gevlekte stieren, Die nimmer zwoegden in het lastigh ploeggareel. Elk ziet naaukeurigh toe, op dat ze rein en eêl Van tong en haren zyn, in alles naar den regel. Het reine wordt gemerkt op 't hooft met 's priesters zegel. De dienstbaare outerknaap zet al 't gereetschap reê, En wet de bylen en de messen, scherp van sneê; En stapelt hout, en brengt het vuur om 't aan te steken. Men zwaait de vlam daar in, op het gegeven teken Nu stort de priester, die, gekleedt in wit gewaat, Met bieze schoenen aan, voor 't rookend outer staat, Den wyn op 't offerbeest, en prevelt zyn gebeden. Hy slacht, en stort het bloet; het hooft wordt afgesneden, En weggeworpen of gedragen in een kolk, Met duizent vloeken van het dwaas Egiptisch volk, Dat nu den keel opsteekt, en wenscht om al de plagen Des Konings, met den kop ten afgront in te dragen. Thans vilt men en ontweit het dier, en vult het weêr Met broot en honigh, mirre en wierook, en wat meer Van elk ter offergifte, uit zucht tot 's konings leven, En tot het vorstlyk huis, uit godtvrucht wordt gegeven. Nu werpt men met geschreeu het heiligh offerdier In de outervlammen, en giet zoeten wyn in 't vyer. Dus gaat het werk zyn' gang op twintigh hooge altaren. De vlammen flikkren op de trotse kerkpilaren. De dampen steigeren met wolken in de lucht: En al 't aandachtigh volk, om zynen vorst beducht, Staat by de plechtigheit in diepen rou gedompelt, Daar yder zyn gebet voor 's Konings welstant mompelt. Verzoen en offer vry uw goôn van hout en steen, De Godtheit walgt van afgodenoffer. Verdwaalt Egipte, en stort ootmoedige gebeên! Slacht vry een offerhand' van hondert vette stieren, En werp die plechtigh op de afgodische outervieren: Ja vraag om raat aan uw vermomde wichlary: 't Is al vergeefs, gelyk uw kunst en artseny. De Godtheit lacht om al uw dwaze tempelgrillen, En laat haar plagen door geen' valschen godtsdienst stillen: De plagen, die nu vast aangroeien dagh aan dagh, En 't vorstelyk paleis vervullen met geklagh. De Koning legt vol pyn, en 't kwaat wordt nogh verwoeder. Maar de oude Koningin, Apochis gryze moeder, 's Konings Moeder ondekt het geheim, dat Sara Vrou Hoffra, die alleen van Faraöos geslacht Bevrydt bleef van de plaagh, kwam in den donkren nacht,

Abrams huisvrou is.(De moedermin ontziet noch nacht noch duisternissen.) By haren zoon, die nu van pyn den slaap moet missen. Zy zegt met tranen in hare oogen, groot Vorst, Gebaart uit dezen schoot, gezoogt aan deze borst, Zoo gy nogh iets vertrout aan myne gryze haren, En d' ondervinding van een meenigte van jaren, Hoor dan myn trouwen raat in dees' benaauden tyt: 't Zou d'eerstemaal niet zyn, dat myne liefde en vlyt U rukte uit dootsgevaar, en boosgesmede lagen. De Koning hield het oog op haar gelaat geslagen, En voelt een wondere beweging in 't gemoet, Die 't hart doet branden in een' tedren liefdegloet. Hy sprak: alwaarde Vrou, weet gy nogh raat te geven, Daar zelfs de wysheit zwygt. ik zweere u by myn leven, Dat ik van u ontfing, en by de hooge goôn, Dien wy aanbidden; by myn' schepter en myn kroon; By al wat heiligh is, dat ik uw' raat zal volgen.

En bestraft haren zoon over de Schaking.De goden (zei ze) zyn op u, ô Vorst, verbolgen, En op uw heerlyk huis. ik heb het kwaat ontdekt, De misdaat, die de plaagh op uwen hals verwekt. Die Sara, die gy hebt tot uwe Bruit verkoren, Is Abrams echte vrou, hem van de goôn beschoren. Gy hebt ze met gewelt gerooft, aan 't hof gebraght, En 't recht der volken, de gastvryheit, dus verkracht. Een Koning moet zoo wel als d' onderdanen passen Op recht en reden, die hy nimmer is ontwassen: Of zoo hy ooit besta, te onzinnigh en verwoet, Te kreuken 't heiligh recht, dat hy beschermen moet: Dan treên de goden in 't gerechte, die door plagen De onnooslen wreeken, en den Vorst te vierschaar dagen. Dus rade ik u, myn Zoon, indien ge uw heil bemint, En onze goden vreest, dat gy uw drift verwint, En deze Sara aan haar' Abram weêr wilt zenden: Zoo eindigen eerlang uw plagen en elenden. De Nylvorst was verbaast; en voelt zyn geest verwart

Wanneer hy Saraas verlossing belooft. In vaste strikken, die hem klemmen om het hart. De liefde, droefheit, pyn, en angst, en vrees, en toren, De heilige eet, die hy zoo aanstonts heeft gezworen, Bestreden elk om stryt zyn overwonne ziel, Tot hy al zwoegende in een dootsche flaaute viel. Gelyk een hert, dat, door een pyl geraakt, vol kommer, Rent door de bosschen en de wouden ryk van lommer, En poogt zyn wonde nogh te ontvluchten, tot het net Des loozen jagers het elendigh dier bezet; En hoe het sterker woelt en zwoegt, door angst gedreven, Hoe eer het, flaau van kracht, zich moet verwonnen geven. In 't einde zucht de Vorst, en riep, vol diepen rou: Helaas! is Sara dan des herders Abrams vrou! En lyde ik dit om haar! dan moet myn liefde buigen. Maar gy, ô Hemel! die my plaagt, gy kunt getuigen, Dat ik naar overspel noch echtbreuk heb getracht. 't Is waar, ik heb haar met gewelt aan 't hof gebraght;

Maar zal met eigen hant haar weêr aan Abram schenken. Zoo waarlyk moet gy dan aan myne smert gedenken: Zoo zeker vlucht de plaagh dit pynlyk lichaam uit, En myn genezing hang' het zegel aan 't besluit.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Abraham, de aartsvader · Arnold Hoogvliet · Poetry Cove