Skip to content
1728

Abraham, de aartsvader

Arnold Hoogvliet

Inhoudt.

ZEs zonen teelt de Helt met schoone Ketura, Terwyl Rebekka blyft onvruchtbaar twintigh jaren, Tot Godt d' Alzegenaar, op Izaks beê, daarna Ziet van zyn' troon en doet haar tweelingzonen baren. Helt Abraham voorspelt hun beider lotgeval; Beleeft hun jonglingschap; en zendt nu, zat van dagen, Zyne andre zonen weg, om Izak bovenal Zyn' zegen, en Godts heilbeloften op te dragen. De Doot besluit in 't end' zyn heerlyk levensperk. Hy vaart ten hemel op. de Dichter sluit zyn werk.

NU konnen wy den gront van onze dichtstof peilen. Nu noch een lieflyk wintje in d'opgetrokken zeilen: Zoo varen we eindlyk uit dees wyde letterzee De blyde haven in der langgewenschte reê.

Abraham teelt noch zes zonen by Ketura.d'Almachtige Opperheer, de Schepper aller dingen, Gaf vader Abraham, in vyf paar zonnekringen Nogh drie paar zonen uit den schoot van Ketura. Zyn levende ouderdom vindt nergens wedergâ. Hy is gelyk een' boom, die in de winterdagen Verstorven scheen, als of hy nimmer vrucht zou dragen; En die, zoo dra de zon het tweelingteken raakt, Weêr schooner uitbot, blad-en bloesemknoppen maakt, En in den zomer al 't geboomte in planters hoven Met eenen ryken oogst van vruchten gaat te boven. Hy komt, ô wonder! met een glans op 't aangezicht, Nogh grootsch en statigh met zes zonen in het licht, In eenen ouderdom van driemaal vyftigh jaren, En toont een groene jeugt by zyne gryze haren. Niet anders dan de heldre Oriön in 't gestarnt, Als hy des winters met een schooner luister barnt, Zyn knots en gordelriem bezaait met heldre lichten, En doet de duisternis der koude nachten zwichten. Maar Izak, in de vaag zyns levens, frisch en sterk, Maar Rebekka blyft onvruchtbaar, Godtvruchtige Izak, ziet van 't eerbaar minnewerk Uit zyn Rebekka geen beminde huwlyksvruchten. Zyn hoop loopt jaar op jaar te niet op ydel zuchten. Hoezeer hy wenscht, en haakt, en bidt om eenen zoon, Hy kan de vruchtbaarheit niet troonen van Godts troon. De vruchtbaarheit, die, toen de waerelt was geboren, De vruchtbaarheit beschreven. Uit Godts Almaghtigh woort, verkreeg een vollen horen Van alle zaden, die zy strooide op 's aartryks gront; Ontfing 't vermogen uit den Goddelyken mont, Om al wat leven had, by 't minnen en het trouwen Elk naar zyn' eigen aart, in wezen te onderhouwen. Maar toen de vuile zonde eerst haren oorspronk nam Uit snô begeerte, en naakt en bloot ter waerelt kwam, Moest ook de vruchtbaarheit het heiloos onkruit zaaien,

En hoe ze door de zonde bepaalt wordt.Opdat de menschen zorg en arbeit zouden maaien: Toen werd haar vrye macht bepaalt aan enger bant Door 't eeuwigh Albestier: toen moght het vruchtbaar lant Geen inkomst geven naar zyn uiterste vermogen: Het aardryk was gevloekt: de mensch met al zyn pogen Bleef sint te derelyk der ydelheit een slaaf: Zoodat, of schoon hy ploege of plante, of zweet of draaf, Of zaaie of natmaak' al de dagen van zyn leven; Het ydel is, zoo Godt den wasdom niet wil geven.

Izak begint na twintig jaren de Godtheit, met dubblen yver om de vruchtbaarheit te smeeken.De blyde lente had het aartryk wyd en breed Al byna twintigmaal in 't nieu gewaat gekleedt, En zoo veel malen had de zomer, blont van haren, Den gouden oogst, gehult met rype korenaren, De velden omgevoert, sint Izaks trouwverbont; Wanneer dat heiligh paar begon met hart en mont, Met dubbel yvervuur, aan 't heilgeloof ontsteken, De hooge Godtheit om de vruchtbaarheit te smeeken, Om eenen nazaat uit den Godtverloofden stam. De rechtgeaarde zoon van vader Abraham, Gesterkt door 's Vaders reên, bestaat met heete tranen 't Almachtigh Wezen met eerbiedigheit te manen Om zyn beloften, die Het aan zyn' Vader deed, En in zyn byzyn had bevestigt met een' eet, Op Moria, toen hy, door Godts bevel bewogen, 't Geloovigh hooft had voor het offermes gebogen. Hy bidt, en zucht, en smeekt, in tegenwoordigheit Van zyn Rebekka, die ook heete tranen schreit; Totdat de wierook dier gebeden, opgerezen. Tot zyn gebedt verhoort. Tot voor den troon van 't hoogaanbidlyk Opperwezen, Een lieffelyken reuk verspreide in 't hemelhof, En 't mededoogen der alziende Godtheit trof. (Zoo groot een kracht is in 't gebet der vrome mannen!) Straks gloeit Godts yvervuur, flukswordt de Raat gespannen, 't Besluit genomen, en de vlugge vruchtbaarheit En Rebekka vruchtbaar wordt. Gezonden naar om laag, die zich in 't bloet verspreit Van vrouw Rebekka, en, door wondere eigenschappen, De baarmoêr opent en besproeit met levenssappen. Nu zweeft de blytschap, die verlokkende vrindin Blytschap daar over. Van 't zwakke menschdom haast de tenten uit en in Van herder Izaak, den vromen: 't lydt niet langer Dan weinigh maanden of Rebekka voelt zich zwanger Van tweelingzonen, die zy draagt in 't ingewant. d' Egiptenaar is nooit verheugder, als het lant, Door 't zwellen van den Nyl, en 't lieflyk overvloeien Bevochtigt, vruchtbaar wordt, en doet zyn koren groeien; Dan Izak, nu de hoop op 't langgewenschte zaat De blyschap schildert op het vergenoegt gelaat.

De tweelingen worstelen in haar lichaam.Maar vrou Rebekke, die den zwangren schoot voelt zwellen, Lydt harder pynen, dan ooit vruchtbre vrouwen kwellen: Een wreede persing drukt het ingewant te styf. De vruchten worstelen en dringen in haar lyf, En stooten tegen een, als hadden ze ongeboren In 's moeders lyf elkaâr den oorelog gezworen.

Waarom zy de Godtheit raat vraagt, die haar antwoort.Zy wringt de handen, zucht en steent, en schreit en klaagt, En roept in eenzaamheit de Godtheit aan, en vraagt, Waarom ze dus met zooveel weedoms had te stryden, Eernogh de barensnoot haar riep tot bitter lyden, Naar 't godtlyk nootbesluit den wyven opgelegt? Mit klinkt een Hemelstem haar in het oor, en zegt: Twee zonen draagt gy, ô Rebekke, in d' ingewanden, Twee wakkre hoofden van twee volken, die twee landen Beheerschen zullen, en, van tweederley bedryf, Zich scheiden zullen van den andren uit uw lyf. 't Een volk zal sterker zyn dan 't ander; doch na dezen Het grootste en sterkste volk aan 't minste dienstbaar wezen. Dus klonk de Godtstem en Rebekka wert verblydt, En gansch gerust gestelt, tot ze op den rechten tyt Den ruigen Esau en den blanken Jacob baarde.

Zy baart Jakob en Esau.Dit was myn' gryzen Helt de grootste vreugde op aarde: Nu ziet hy zonen van zyn' zoon, het rechte kroost Van Godts beloftenis, zyn' ouderdom ten troost: Nu ziet hy in 't geloof d' ontwyffelbare tekenen; Dat hy in Izak heb zyn nageslacht te rekenen; En in den groei en bloei van 't wonder broederpaar, In wier opvoeding de Aartsvader de waarheit der Godtsstem ziet. Zyn tweelingneven, wordt hy jaar op jaar gewaar Hun tweederhanden aart en ongelyke zeden. Hy merkt in Esau, ruig van vel, en grof van leden, Een schrandre fierheit in een onversaagde jeugt: Maar ziet d' oprechtigheit, gehoorzaamheit, en deugt Al vroeg in Jakob, en bemerkt den vasten schakel Der heilge waarheit van het goddelyk Orakel: Ja somtyts zegt hy, door een hemelgeeft beroert, Een profesygeest, die hem uit zichzelven voert, Wanneer hy Jakob zag: daar gaat hy, die na dezen, Zal d'Erfgenaam van Godts verbontbeloften wezen; Op wien de zegen, en de vrede, rusten zal. In hem zal myn geslacht vermeerdren in getal, Gelyk aan 't hoog gewelf de tintelende vieren. De koninklyke spruit, die met zyn leeubanieren En voorzegt hare lotgevallen. Den schepter zwaaien zal, tot Vorst Messias koom', Des waerelts Vreugt en Heil, zal spruiten uit dien boom, Dien boom, die zich verheff' tot 's hemels hooge daken, En breede lommer zal met twalif takken maken. Maar somtyts zei hy, als hy groven Esau zag: Ziet daar den sterken, die zyn' broeder overmagh, En eenen wreeden haat en vyantschap zal dragen. Vlucht Jakob: wacht uw hooft: vlucht naar uw moeders magen! Hy is uw hant te sterk; maar door 't geboorterecht En 's Vaders zegen, wordt hy u gelyk een knecht; Doch na veel eeuwen zal uw zaat, ten troon geklommen, Dat maghtigh nageslacht met al zyn vorstendommen Zich dienstbaar maken, tot het zich eerbiedigh neêr Zal buigen voor den Vorst van s' hemels Englenheir.

Hy ziet, in, verrukking van zinnen, de kroone zyner onsterflykheit.Dus Profeteert myn Helt het nootlot zyner neven. Maar wordt, noch hooger in beschouwing opgeheven, Schier bysterzinnigh door een nuchtre dronkenschap, Van hemeltoghten, die zyn' geest van trap tot trap Langs al Godts weldaân, en zyne aartsche zegeningen, Vervoeren, boven lucht en ruime starrekringen. Daar hy de Kroon beziet van zyn onsterflykheit,

Die beschreven wordt.Die 't eeuwigh Wezen voor den Heldt had toebereidt, En 't saam doen vlechten, voor zyn heiligh aangezichte Van een zeer heerlyk, en uitnemend groot gewichte Van zaligheden, en van onverwelkbaar groen, Geplukt van 's levensboom in 't eeuwigh heilsaizoen; Met onverderflyk goet, verzadiging van vreugden, En wondre stralen van Godts luisterryke deugden, Te saam gestrengelt, en verheerlykt overal Met glorynamen, en eertytlen zonder tal, Van Godtsvrient, Helt, en Vorst, en Vader der geslachten Die in geloove en deugt Messiäs heil verwachten; Godtvreezer, Bontgenoot des Scheppers; Erfgenaam Van 't Hemelsch Kanaän; Profeet, en Gloryfaam, En Verrekyker van des Heilants dagh en wandel; Gehoorzaam Voorbeelt van des Vaders liefdehandel, In 't offren van zyn' Zoon, de schrik van 't slangezaat; En wat'er meer van hem in 't boek des levens staat. Die dierbre Kroone, van Godts liefdevuur omvangen, Waar uit by zyn aanstaande einde bemorkt. Zag hy aan 't einde van het heirperk opgehangen, En merkt nu, op het zien dier heerlyke erfenis, Dat hy by 't einde van zyn levensloopbaan is: Ja hy gevoelt, na die verrukking van gedachten, Alreê vermindering van zyne levenskrachten. Gelyk een eik, wanneer een wintbui raast en woedt; De zomer afscheit neemt; de herfst zyn intreê doet; De zon ontwykt, en door de wolken, die haar dekken, 't Vermogen kwyt raakt om de vochten op te trekken; Zich flaau bevoelt, verbleekt, en strooit zyn blaân in 't ront, Als van een koude koorts geslagen, op den gront. Nu spoedt zich Abraham, eer d' ongestalte aan 't wassen Hy zendt zyn zes zonen uit Ketura met geschenken naar het Oosten. Hem moght in 't schikken van zyn' laatsten will' verrassen, Te veldewaart, daar hy van zynen overvloet Van knechten, vee en have, en allerhande goet Een deel afzondert, dat hy weêr door 't zestal deelde, Tot zes geschenken voor zes zonen, die hy teelde By schoone Ketura, all' kloek en sterk van leest: Die geeft hy yder met een' onverschrokken geest Zyn erfschenkaadje, en zendt ze uit Kanaäns landsdouwen, Naar 't Oosten hene, om daar het vruchtbaar lant te bouwen; Opdat geen vuur van twist zyn nageslacht verteer', En Izak blyven zou een Erfgenaam, en Heer Van al zyn' rykdom, en Godts zegening van boven. Zoo zendt een akkerman de ryke korenschoven In haast van 't open velt, wanneer het onweer groeit, En reets de donder door de zwarte wolken loeit; Opdat geep schichtigh vuur van blaauwe bliksemvlagen Verteer' zyn' gouden oogst, de hoop der zomerdagen.

Hy doet al zyn knechten by een vergaren.Zoo trekt de dubble trits van zonen oostwaart aan, Tot ze in Arabië hun tenten nederslaan, Daar ze al de lantstreek, door den zegen uit de wolken, Met Abrahams geslacht uit Ketura, bevolken. Maar Izak blyft alleen by mynen gryzen Helt, Die al zyn knechten thans by een roept in het velt, Zyn ingeboren en zyn aangekofte slaven: Die by het outer, dat nu blaakt van offergaven, Te saam vergaren op 't bevel van hunnen Heer, Elk even reede tot zyn dienst, gelyk weleer, Toen ze, onderwezen tot den kryg, de herdersrieten Voor scherpe spiessen en voor 't glimmend zwaart, verlieten; Dien Veltheer volgden, en, met onversaagden moet, Den wreeden Kedor deên verzuipen in zyn bloet; Zyn sterke Vorsten en 't roofgierigh heir versloegen, En den geroofden buit den vluchteling ontjoegen.

En roept Izak tot zyn erfgenaam uit.Thans roept de veege Helt zyn' Izak overluit Tot zynen Erfgenaam voor all' zyn knechten uit, En tot een Heer van al zyn rykdom, en den zegen, Dien hy zoo mildlyk van den Hemel had verkregen; En zegt in 't ent, ô Zoon, myn zilver en myn gout, Myn koren en myn most, myn vee, zoo meenigvout, All deze knechten, die nu d' ooren tot ons neigen, En al wat ik bezit is uw, en blyft uw eigen: En geest hem al zyn goet. Ik staa den eigendom u vry en willigh af, Myn beenen haken naar de rust in 't donker graf; Myn levenszon is al genadert tot de kimmen, En by het ondergaan, om schooner op te klimmen. Hier zwygt hy, en men hoort nu een verwart gedruis Van klagen en gezucht, niet ongelyk 't geruisch Van eenen zuidenwint, die, schielyk losgebroken, Na lange stilte, komt het dichte wout bestoken, En ruischt, en huilt door al de groene takken heen. Godtvruchtige Izak leidt den Vader, zwak van leên, Izak leidt den Vader naar zyn tente. Naar zyne tente met de tranen in zyne oogen. Daar spreekt de Godtshelt van 't oneindige vermogen Des grooten Scheppers, en zyn eeuwigh Albestier; Zyn wondre Wysheit, en het onbegryplyk vyer Van zyne liefde; en van haar heilgeheimenissen, En kracht, om smetten van het menschdom uit te wisschen. Hy haalt Godts daden, die hy in zyn leven zag, En die hem grootvaar Sem weleer te ontvouwen plagh, In zyn geheugen op, en breidt die uit ter eere En heerlykheit van Godt, zyn wyzen Opperheere; En zeit tot Izak: zeg, al wat gy hebt gehoort, Uit mynen monde, ô Zoon, toch aan uw' kindren voott.

Daar hy zynen zoon de leere der Vaderen en de voortplanting der oude geschiedenisse aanbeveelt.Plant in hun hart de leer der eeuwige genade, d' Erfleer der vaderen, eerst in den Vrouwezade Belooft; maar namaals in 't besnydenisverbont In myn, in uw geslacht bevestigt met Godts mont: Zoo blink het heillicht in 't geloovigh zaat niet doover. Draag d' oude hantvest der geschiedenissen over, Van 's eerste waerelts op-tot zynen ondergang. Bewaar de waarheit. hou de leugen in den dwang. Sta naar geen Oppermaght; maar heersch gelyk een Koning In 't ryk van uw gemoet, en breidel in de woning Van uw verheven geest de driften met den staf Der heldre reden, die Godts wysheit aan u gaf; En hou daar vrede by de zuivre deugdewetten. Ons later nageslacht zal zich ten rykstroon zetten.

Nu betuigt helt Abraham moede te zyn van 't leven, en zat van dagen.Thans treedt de veege Helt naar 't zachte rustbet toe. Wat ben ik (zegt hy) nu dit ydel leven moê. 'k Ben moê van 't opstaan, en van 't leggen myner leden. Myn oog is 't slapen moede, en 't zien der ydelheden, En al myn zinnen zyn van werkzaamheden mat. Myn vlugge ziel is dit vergangklyk lichaam zat; Dien klomp der ydelheit, die, midden in d'ellende, Zich afslooft, en verkwikt, by beurten zonder ende. Myn groote geest is in 't beschouwen afgeslooft Van duizent wondren, die ons hangen boven 't hooft; Daar 't kennen en verstaan blyft van ons afgezondert. Wat baat het eeuwen, uit onwetenheit, verwondert Te staan, te gluuren, door een dikbenevelt oog, Op 't schoon des aardryks en den blaawen hemelboog; 't Gestarnte gâ te slaan, en de ongemete kringen; De jaarshizoenen, en hun beurtverwisselingen, En duizent dingen in dien stagen ommekeer? Een jaar was tyts genoeg: voorts zienwe 't zelfden weêr. De kennis woont toch niet in dikke duisternissen. Wat ben ik moede van het staag en eindloos gissen Naar eigenschappen, die zich opdoen voor 't verstant, Waarnaar wy tasten, als de blinden naar den want. 'k Ben loof en afgemat van 't zwerven, en het reizen Door vreemdlingschappen naar de hemelsche Paleizen Der Oppervredestat, die fundamenten heeft, Daar ware wetenschap en zuivre wysheit leeft, En daar ik eens myn afgematte ziel zal baden In 't Heilfonteinnat, in de schaau der levensbladen; Wanneer ik 't lichaam, nu van dagen zat en moê, Aan moeder d'aarde geef; het komt toch d'aarde toe. Zoo wordt de Boezemvrint der Godtheit daaglyks zwakker Hy wort zwakker. Van lichaam; maar zyn geest blyft altyt even wakker; Ja schynt te groeien in verhevenheit en kracht, Hoe hy al nader aan de doot zyn uitkomst wacht, Ha! zegt hy somtyts, meent ge, ô Doot! ô Vrouweschaker, ô Huwlykscheider, ô gy Weeu-en Weezemaker, ô Koning van den nacht, uit 's menschen schult geteelt, Die hier in dit gewest des doots den meester speelt,

En komt den waereltling in zyne vreugt verrassen; Meent gy, Verwaande, met uw grynzen en grymassen Van schrik en vreeze, of met verbeeldingen van pyn;

En daagt de doot uit.Met grafspook, rouwgewaat, en met den ydlen schyn Van dootlyke angsten, die om uwen zetel waren; Myn levensmoede ziel, t'ontrusten of vervaren; Als ware ik een, die op den rykdom of het gout, Op eer en staatzucht had myn heil en hoop gebout, En, in de liefde tot de waerelt diep verzopen, U te verzoenen dacht of uitstel af te koopen: Een, dien uw prikkel diep in 't vuil geweten steekt?

En veracht zynen prikkel.Neen, zwarte Koning, 'k daage u uit: uw prikkel breekt: Uw pylen stompen op myn schilt en harnasplaten, In Godts genadebron verstaalt, en nooit ontlaten: Ik schrik noch vrees voor u, gevreesde Menscheplaagh, Geringste Dienaar van Godts eeuwige orde omlaag: Als gy dit leven met gewelt meent af te plukken, En van den stamboom van het menschdom fier te rukken, Zal 't als een rype vrucht u vallen in de hant. Geluk dan met dien buit: wanneer myn geest, den bant Des engen kerkers in de vrye lucht ontsprongen, Door alle persing in een oogenblik gedrongen, Op starreronden treedt, en 't groot Heelal beschout, Door de eeuwige Almacht en de Wysheit opgebout: Daar ik de zon en maan beneên my zal zien rennen In hare kringen, en deze aarde naau bekennen: Terwyl ik spot met u, en uw gewaant gezagh, En, u verwinnende, om uwe overwinning lach. Nu scheen het of de doot te rug deisde, en verschrikte Die voor die grootmoedigheit verschrikte. Voor die grootmoedigheit, en of de Helt verkwikte. Zyn levenslamp gaf nogh een helder flikkerlicht. Waarop de hoop verschynt in Izaks aangezicht, En vleit zyn hart, en zegt: misschien is 't Godts behagen, ô Vader! noghmaal te verlengen uwe dagen. Neen. zegt de Helt, ik wensch of hoop op 't leven niet. Waar op de hoop in Izak verschynt. Zou een gevangen, als hy zyn' verlosser ziet, Die zyne boeien slaakt, de kluisters van zyn handen; De vryheit weigeren, en blyven in de banden? Doch de Aartsvader redeneert met zekerheit van zyn einde. Of zou een zeeman, die in 't nypen van den noot, In storm en onweêr met zyn hobbelende boot, De haven ziet, het dan weêr naar de diepte zetten? Neen, Waerde, niemant zal my in myn vaert beletten: 'k Zie myn' Verlosser, en myn vryheit, voor de hant. Ik zie de haven, en de baak van 't vaderlant. De Heilant zal myn ziel, die paerel, duur van waerde, Haast uit dit lichaam, uit dit stof en slyk der aerde En van de heerlykheit van de zalige weningen. Opbeuren, loutren door den doot van allen last, Om, heerlyk in het gout der eeuwigheit gekast, Op 't kostlykste in zyn albeschouwend oog te pralen: Daar zal ik wandlen met de hemelsche koralen Naar 't koninklyk Paleis, en naar den gouden troon Der Oppermajesteit. wie weet hoe groot en schoon Zyn zetel is; want daar de voetbank zoo begeerlyk En groot is, ryke Godt! hoe kostelyk en heerlyk Is dan uw troon! hoe wyd de zaal, en uitgebreidt, Daar gy den schepter zwaait van uwe mogentheit! Maar dit Paleis, zoo vol verrukkende gezichten, Moet voor de heerlykheit des grooten Konings zwichten, In wiens beschouwing zulk een eindeloos getal Van zuivre geesten nooit verzadigt wezen zal; Maar zonder uiteinde, in verwondring opgetogen, Op zynen luister zien met nooitgesloten oogen. Daar wordt d' onwetenheit door weten uitgeblust. Daar wordt de wil verpoost in 't middelpunt van rust; En al 't begeren neemt een einde in het genieten Van 't hoogste Goet, waaruit de vreugt en wellust vlieten; De bronnen springen van het onbegryplyk Heil, Zoo wonder groot, zoo ver verheven boven 't peil Van 't menschelyk vernuft, als zelfs de hoogste hemel Is boven d' aarde en al het sterfelyk gewemel! Heilryke Godt! hoe groot is 't goet voor my bereidt! 'k Verlies me in 't aanzien van zyn schoonte en heerlykheit:

En bidt om zyn einde.ô Heilant! waerom toest ge? ai haast u. sta niet stille. Gebied de geesten, die gereedt staan u ten wille! Of moet de doot my nogh op harder weedom staan, Om myn gebreken, en myn zondenschult? welaan: Laat hem dit lichaam vry met al 't gewelt bestryden, Dat ge in 't verzoenen van de waerelt zelf zult lyden.

Maar waarom dit? ik ben uw vrient, en bontgenoot, Met u verzoent in uw zoenofferhande, uw doot. Ontsluit uwe armen dan om mynen geest te ontfangen; Want ik ben krank van liefde, en sterf schier van verlangen. Dit hoort de Heilant op zyn' troon, en zendt gezwint

En wordt verhoort. Twee geesten, vlugger dan de vlugge noordewint Naar 't schaduwryk gewest des doots, om dien beminden, En trouwen Godtsvrint van de sterflykheit t'ontbinden. Strak worden al de vergelegen deelen styf, En kout, de zinnen meê verwart in haar bedryf: 't Gezichtpunt brak; 't gehoor wert van zyn' plight ontslagen: De reuk vervloog; de smaak was wech; 't gevoel ontdragen. De levensgeesten, uitgespreit in yder deel, Vliên van hun posten nu verbaast naar 't hartkasteel; Gelyk verlegen en ontstelde burgerlieden, Begint te sterven. Van hun' bestormden wal, naar d'uiterste uitvlught vlieden, Hun binnesterkte en burgt; om die met heldenmoet Noch te beschermen tot den laatsten druppel bloet. Nu roept de Godtshelt nogh met half gebroken reden: 't Gaat wel! daar komt een rei van englen naar beneden! Spreekt zyn laatste reden. Ik proef den wellust: 'k riek de Paradyslucht al. Ik hoor alreê 't gejuich van 't Cherubyngeschal. Ik zie de Hemelstat. daar gaan haar poorten open! Wat wederhouwt me? wat belet my in te loopen? Triumf! nu ben ik los, en treê met eenen stap, De waerelt uit tot in myn hemelburgerschap!

En geeft den geest, 175 jaren out zynde, 100 na hy in Kanaän kwam, 38 na Saraas doot, in het 2183 jaar na de schepping der waerelt, 15 na de geboorte van Jakob en Esau.Zoo sloot de grootste man, die d'aerde ooit zag, zyne oogen, En blies den adem uit. het hart had geen vermogen Om die geloofsdrift en verrukking van 't gemoet Te wederstaan; vergeet zyn' slagh, en laat het bloet Nu zonder persing stil, verstyven in al d' aderen. Zoo staat een uurwerk, met zyn spillen en zyn raderen, Zoodra 't aan tegenwight begint t' ontbreken, stil. Zyn spieren trekken nogh een weinigh door 't gedril Der zenuwen, gelyk ontspronge luitesnaren. Maar zyne Heldeziel, ten hemel in gevaren, De stad des grooten Godts, wordt in zyn vaderlant

Zyn geest wort in triumf ten hemel gevoert.Nu door Godts Vrede, met d'olyven in de hant, Ontmoet en ingeleidt, omringt van duizent drommen Van zaalge geesten, die den Helt verwellekommen. De Godtstadt is vol vreugt en geeft een dubblen glans. De naam van Abraham rolt voort van trans in trans. De hemelhofbazuin stemt met de reien 't samen, En galmt zyn glori uit, zyn tytelen en namen, Terwyl de weêrgalm roept: zoo nadert tot Godts troon De Helt van 't waar geloof, Slachtoffraar van zyn' zoon! Nu vliegen Engelen en Serafynereien Vooruit, om mynen Helt naar d'opperzaal te leien,

En geleidt naar Godts troon.Daar ook de hofschalmei der Cherubynen klinkt. De diamante poort gaat open, blikt en blinkt, En al 't gesteente van de wonderlyke bogen Schiet straal op straal, daar hnn gewelven zich verhoogen.

Zoo wordt Helt Abraham tot voor den troon geleidt, Daar hem Godts Liefde omhelst, en d'Algenoegzaamheit Vervult; de Wysheit hem verlicht met wetenschappen; De Heerlykheit versiert, en voert op hooger trappen; Tot daar de Heilant zelf hem al den schat ontsluit Van zyn genade; en stort op zynen schedel uit Den hoorn van heil, en zegt: zoo heerlyk en uitstekent Een erfnis wordt u in myn zoendoot toegerekent. Kom nu, Gezegende myns Vaders, erf de kroon En de bruilost des Lams. Der overwinning! kom myn teêr beminden Zoon Zit aan met alle myn verheven Gunstelingen. Nu wordt hy onder 't heilgejuich en vrolyk zingen; Geleidt ter bruiloft van het Lam in d'eeuwigheit, Daar hem verzadiging van vreugt was toebereidt. Maar ach! hoe aakligh stont het nu in 't velt geschapen! Algemee nodroesheit om de doot van Abraham. Hoe treurt helt Izak! ach! hoe treuren bei zyn knapen! In welk een rouklaght berst vrou Ketura niet uit, Daar zy nu d' oogen van haar' grooten Herder sluit! Hoe zucht Rebekka niet, van rou in 't hart geslagen! Hoe deerlyk hoort men nu den huisbezorger klagen! En welk een nare kreet klinkt over 't ruime velt! Alle oogen schreien om het sterven van den Helt. Gansch Gerar staat verbaast, en Hebron slaat aan 't weenen. De heuvels zuchten, en de harde rotsen stenen. De stroomende Jordaan zwelt van den tranevloet. Het bosch van Berseba roept Mamres te gemoet: Ja al het lant, tot aan de Palmstat en noch verder,

Waar van 't gerucht tot op Parans geberg te tot Ismaëls ooren komt.Roept schier uit eenen mont: Helaas! de groote Herder Helt Abraham, de Vorst van Godt, s' lants Bontgenoot, De sterke Temmer van de dwinglandye, is doot! Helaas! helaas! doet ook de doot Profeten sneuvelen! Zoo rolt de treurgalm ront, en stuit op Parans heuvelen, Met zucht op zueht, en met angstvalligh wee! en ach! Totdat zy Ismaël, gelyk een donderslagh In d' ooren klinkt, daar hy byna van schrik versteende: Hy maakt zich haastigh op, en komt daar 't alles weende,

Die zyn Vader komt beweenen, en met Izak begraven in de spelonke Machpela.En wascht het kout gebeent zyns Vaders met het nat, Dat hem van droefheit uit zyn schreiende oogen spat: Totdat men 't kostlyk lyk zeer heerlyk naar zyn waerde In 't lommrigh Machpela te rust vertrouwde aan de aerde: Daar beide zonen, met de tranen in 't gezicht, Een voorbeelt geven van den deugdelyken plight.

Besluit der geschiedenisse.Nu is myn taak volwrocht, myn dichtwebbe afgeweven. 'k Heb twalif boekjes van Helt Abraham gefchreven; Dien grooten man, schier van zyn wieg tot aan zyn graf, Op alle toghten, van zyne eerste roeping af, Tot daar hy zegepraalt in d' opperhemelbogen, Op vlugge vleuglen van de Dichtkunst naargevlogen: En dus een eerzuil voor den Godtsdienst in myn dicht, Met geestlyk wapentuig behangen, opgericht, Waarop het heilgeloof, na 't einde van myn dagen, Misschien nogh eeuwen lang zal moet en glori dragen.

De blinde Griek zong van der Helden oorlogsdaân: Vergelyk van dit werk met oude dichtstukken. De Mentuäner van Eneäs, den Trojaan, Die 't brandend Ilium, met zyn gewaande goden, En zynen Vader op zyn schoudren, was ontvloden: Ik heb gezongen van den grooten Abraham, Die zynen Vader mede uit Ur, de Vuurstat, nam, En hem, op Godts bevel de vaderlyke muuren Onttoog, en 't smooken der afgodische outervuuren. De Helt van Sulmo, wien ik 't Roomsche jaargety En feesten naarzong in myn duitsche poëzy, Zong van zyn goden en hun vormveranderingen: Al schrandre fablen en geleerde beuzelingen: Ik van de Godtheit, die het ongenaakbaar licht Bewoont: van Godt begint en eindigt myn gedicht, En van zyn waarheit, die 'k geschildert heb naar 't leven Met echte verven; haar zooveel sieraats gegeven, En, naar 't vermogen van myn kunst, zoo ryk gekleedt Als hare statigheit van hemelsche afkomst, leed. ô Godt der Waerheit, die myn lage maatgedichten Besluit van het werk. Met zuivre stralen van uw Wysheidt voor woudt lichten, En mynen geest alsints hebt door uw' Geest geleidt: U zy de lof, de dank, al d' eer en heerlykheit: En zoo de waerelt my ooit lof of eer wil geven; Die komt U toe: die werde alleen U toegeschreven; Want gy bliest door uw kracht myn ziel, al van 't begin Tot aan het einde van myn werk, den yver in. Gy hebt het heiligh vuur op 't hartaltaar ontstoken, Om U dit offer van myn gaven toe te rooken: Ontfang het gunstigh en met een verzoent gelaat. Bewaar myn' arbeit voor de klaauwen van den Haat, En koester mynen geest, vermoeit van 't ommedwalen Door letterbeemden, in de warme Heilzonstralen: Ja laat hem, of de doot my haast verrrassen kwam, Toch rusten in den schoot van mynen Abraham.

EINDE.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Abraham, de aartsvader · Arnold Hoogvliet · Poetry Cove