Zang: Ach droom! hoe quelt ghy mijn gedagten.
MYn Heil, mijn Heer! hoe zoo verslagen Gebracht ten top van anxt en jammer klagen En gestelt // in 't gewelt // van verblinde boozen: Daar uw macht // wert ver-
acht // en belacht Onbeschroomt van vee-le goddeloozen En uw Heyligh lichaam hangt Aan het kruis gedrukt, geprangt, Tot troost van hun die u ten troost verkoozen.
I I. Een krijgsman stak zijn zijde open, Doen quam 'er bloet en water uitgeloopen. Och! hoe wreedt // valt het leedt // van Tyrannen handen! Spot en smaat // doen veel quaat // en den haat Inder boozen herte toornigh branden. Zelden hout de boosheit maat Als haar moetwil boven staat, Al treft hun haat en wreetheit heele landen.
I I I. Den throon en heldre Hemellichten, Des aartrijx vreugt, bedekten hun gezichten Doen de doot // Hem beschoot // en Hy 't hooft liet dalen. 's Werelts dach // wouw zijn lach // ach! ach! ach! Niet op aarden laten nederstralen. Yder toonden zich gestoort, Om dat schandigh hingh vermoort Gods Zoon, die elk die wilt bevrijt van dwalen.
I V. Des Tempels voorhang scheurd' aan stikken. Den Hooftman riep, uitbarstend' in verschrikken, Dezen doon // was Gods Zoon // die Gods wil verklaarde. Jozeph quam // en hy nam // 't heiligh Lam, Doen de boosheit haar nu wat bedaarde, Van den boom des kruicen af, En hy leid hem in het graf Dat hem alleen maar weinigh tijts bewaarde.
V. Terstont, Maria Magdaleene En andre meer, quamen het Lijk beweenen Met gezucht, met gerucht, en zeer deerlijk schreyen: Zoete Heer // zijt ghy hier dus ter neer In het graf geleit in lijnnenspreyen? Och! mijn Heer verschijn hier weer. Sterk verlangen yvert zeer. En vrienden liefde wert bekent in 't scheyen.
V I. Den Herder is geraakt om 't leven, De Schapen zijn ook op de vlucht gedreven. 't Vee dat vliet // als het ziet // zijnen Herder sterven. Want haar staf // blijft nu af // die hun gaf Een volkomen middel voor 't verderven. En dan moet het, angh en bangh, In gevaar, zijn leven langh Bekommert, zonder een bewaarder zwerven.
V I I. Gods wil aan hun te openbaren Die tot dien wil zoo ongewilligh waren, Zijnd' een wett // voorgezett // tot een zuiver leven; Om 't gemoet // 't welk hier wroet // zulk een goet, Daarmen eeuwigh wel van vaart, te geven, Heeft Gods Zoon zijn bloet gestort, Door de liefde aengeport. Zijn goetheit en genade zy verheven.
Cookies on Poetry Cove