Zangh: O Kersnaght !
I.
O Hemel merk en neigh u oo - ren, Om 't geen ik spreeken zal te vooren: De aar-de let met aandacht naauw. Mijn lee-re druip' gelijk den regen Die 't jonge gras gedijdt ten ze-gen.
Mijn re-den vloei als zomerdauw'.
I I. Een Heerlijk werk, zeer groot te achten, Is nu de stof van mijn gedaghten, 't Geen ik wil zingen in mijn hert Ter heerlijkheit en lof des Heeren; Op dat zijn naam, by elk in eeren, Geroemt en hoog geprezen werdt.
I I I. Hy is de rots wiens werk volkomen Van opspraak zuiver wert vernomen: Want al zijn doen is recht en goet. Zoo weinigh als de waarheit liegen, Zoo weinigh kan ook God bedriegen. Want 't is volmaakt al wat hy doet.
I V. Maar ach! waar 't quaat in 't zaat gestorven, Zoo waar haar heil noch onverdorven. O ghy verkeert en krom geslaght'! Die 't quade voor het goed doen leeren En zijn geen kindren meer des Heeren, Maar eene schantvlek slechts geacht.
V. Wilt ghy ô onwijs volk met schelden Den Heere al zijn goet vergelden? Is hy uw Heer en Vader niet
Die u gemaakt heeft en verkregen, En vast gestelt heeft uwe wegen Tot ghy Hem zelver eerst verliet?
V I. Denkt aan de dagen van voorleden. Zoek op elk geslacht na reden Waar Godt oit weldaat heeft gedaan: Vw Vader zal 't volmondigh spreken, Geen oude zal bewijs ontbreken Om u zulx klaar te doen verstaan.
V I I. Want doen de Heer de volken scheidde En haar hun erfdeel toe bereidde, Heeft hy elk na hun stam gezet. Den vromen kan Gods gunst niet derven. Want Jakob is zijn snoer der erven Daar Hy met nauwe zorgh op let.
V I I I. Geen digt nogh huilende woestijne Kan God besluiten van de zijne. Doen Izrel in de wilderniss' Als vreemdling doolden op der aarden, Was hy by God zoo hoog in waarden Als hem zijn oogenappel is.
I X. Hy nam Hem onder zijnen zegen En onderwees hem in zijn wegen, Op dat hy wel en zeker waar: Zijn zorgh deed' op zijn welstant merken
Gelijk een Arent op sijn vlerken Zijn jongen bergt voor het gevaar.
X. De Heer alleen is vol genade. Geen vreemden God sloegh zijner gade. Wie zwangert steen met honigraat? 't Is God die hem ten top verheven De vrugt des lants tot spijs gegeven, En oly uit de steenen slaat.
X I. Gods weldaat laat haar niet besnoeyen. Hy gaf hem booter van de koeyen Met versze melk der teere geit': Het eedel vlees en vet der lammen Der jonge boxkens en der rammen Die 't grazigh Bazan heeft geweit.
X I I. 't Mildadigh hert' heeft lust in 't geven. De beste tarwe voor het leven Gaf God by al dien overvloet: Zijn beeker heeft hy vol geschonken, Daar hy zich zat van heeft gedronken, Met rein en helder druivenbloet.
Cookies on Poetry Cove